't Geluk liekt sums zo hail dicht bie

'Mien toentje', cd eks 1284; 'As vaaier woorden' cd eks 1086; 'Hear my song/ As 't boeten störmt' cd eks 1096 1/2. Mollebone Music.

Soms, als ik zijn stem hoor, denk ik dat er een samenzwering gaande is. Misschien honderd Nederlanders verspreid over het hele land hebben een stiekem verbond met een volksdeel in het noorden van het land. Ik ben een van die honderd, al bijna tien jaar. Toen ontdekte ik de liedjes van Ede Staal. Sindsdien fluister ik zijn naam rond en gebruik hem als wachtwoord om toegang te krijgen tot Groningen.

Dan praten we over zijn stem, zo donker en diep dat we hem mysterieuze krachten toeschrijven, over de kracht van zijn teksten - 'n klok dij luudt 'n knitter in 't matglas van mien denken - en over hoe poëtisch Gronings kan klinken. Gesprekken gebaseerd op 26 liedjes, of eigenlijk maar op de helft daarvan, die twaalf of dertien liedjes waar hij iets van zijn ziel lijkt bloot te leggen, want het liefst praten we natuurlijk over hem zelf.

Eerst maar de feiten: 22 juli 1986 overleed hij aan longkanker, elf dagen voor hij 45 jaar zou worden. Hij was vader van zes zonen en hij verdiende de kost als leraar Engels. 's Avonds componeerde hij liedjes. In de hoge achterkamer van een grote Groningse boerderij, pingelend op zijn piano, ontstonden zo tientallen 'varskens', zoals hij ze zelf noemde. Hij loopt er niet mee te koop, maar schaft wel een oude Sony bandrecorder aan waar hij al zijn liedjes, af en onaf, op registreert. Hij laat eens wat aan vrienden horen, Radio Noord nodigt hem uit en uiteindelijk verschijnt er eind 1984 een lp: Mien Toentje. Hij bereidt een tweede voor, die drie maanden na zijn dood uitkomt: As vaaier woorden (Als vier woorden). De plaat verdringt in Groningen Paul Simon van de eerste plaats op de hitlijsten. Meer dan een half miljoen exemplaren zijn er van Mien Toentje en As vaaier woorden verkocht.

Er moet jarenlang een gordijn tussen Groningen en de rest van Nederland gehangen hebben. Transparant, maar geluidwerend. Nederland meende te weten hoe er gesproken werd: knauwerig en afgebeten. Dat er soms pure poëzie opklonk kon men zich niet voorstellen. Maar wie ooit naar Het Hoogelaand geluisterd heeft kan nooit meer door Noord-Groningen rijden zonder de stem van Ede te horen. Wat hij doet, is heel eenvoudig. (Neem als je Groningen niet kent de atlas er even bij). Hij begint het nummer met een opsomming, sprekend zonder muziek: “'t is de lucht achter Oethoezen/ 't is het torentje van Spiek/ 't is de weg van Lains noar Klooster/ En deur Westpolder langs de diek./ 't binnen de meulens en de moaren/ 't Binnen de kerken en de Börgen/ 't is 't laand woar ik als kind/ nog niks begreep van pien of zörgen/ Dat is mien laand, mien Hooge Laand”. En dan komt de piano en begint hij te zingen.

Je pakt op een zomeravond de auto en rijdt naar het noorden. Je rijdt door grote open ruimten langs kathedralen van boerderijen, omzoomd met reuzenbomen en je hoort zijn donkere stem 'totdat de nacht van het Hogelaand een donker klaid over ons legt'. Onder dat kleed zou je heel lang willen liggen.

De nachten komen vaak terug in zijn liedjes. In Credo-Mien bestoan, waarin hij een vroege dood voorziet, zingt hij: 'Geef mie de nacht din heb ik onderdak'. Maar veel vaker zijn de nachtelijke uren voor hem uren van angst en eenzaamheid. 'De nacht dij is noeit eerlek/ Of ligt 't sums aan mie'. Het lampje dat 's nachts op zijn kamer moest branden, dat troostende lichtje, is een geliefde geworden die niet mag wijken. 'Zalstoe altied bie mie blieven, bie mie blieven, lutje wicht/ Lekker waarm in mien aarms, in diens arms, ogen dicht/ Zun is muid en sloapen goan/ Deur de dook zai ik de moan/ Dizze nacht die is nou van ons baaiden'. De woorden zijn bijna kinderlijk eenvoudig, net als de melodie met piano en accordeon - het is bijna een wiegeliedje - maar het is alweer die stem die onmiddellijk ontroert en die je nooit meer vergeet. Hij komt vanuit de diepte. Het is alsof zijn ziel op zijn stembanden ligt.

Ik kijk vaak naar foto's van hem als hij ouder is en ik zie wat ze in Groningen 'een man met verdiepings' noemen. In gezelschappen was hij vaak uitbundig, druk, gevat, kon in cafés op de tafel springen om te zingen. Maar op de foto's zie je een man met een frons en diepe rimpels bij zijn neuswortels. Een peinzer, een tobber.

Hij stond als jongetje vaak op het bruggetje voor hun huis te zingen, uitbundig, met de borst naar voren. Wie beelden ziet van later, wanneer hij onder druk van het succes van Mien Toentje enkele keren optreedt, ziet een wat verlegen man die het vervelend lijkt te vinden dat hij daar in het licht staat. De eerste keer hebben ze hem letterlijk het podium op moeten duwen, een glas water nog in zijn hand. “Even mien klokje (kelkje) wegzetten.”

Je hoeft geen Gronings te kennen om hem te verstaan. Het gaat over wat ons allemaal bezighoudt en waar bijna iedereen over zingt: liefde en verlangen, afscheid en eenzaamheid. Het Gronings van Ede maakt zijn liedjes alleen maar mooier. Gronings, dat normaal een beetje lijkt te knauwen en te bijten, klinkt uit zijn mond heel soepel, elegant bijna, zonder dat het zijn robuustheid verliest. 'Sums vuil ik mie gelukkig/ Din hang 'k aan mien bestoan/ Din zing ik mit de vogels met/ Din proat ik tegen de moan// Din binnen we mit zien baaiden/ 'k zet alle klokken stil/ En ik verneuk miezelf din weer/ Want 'k wait dat dat nait wil// 't geluk liekt sums zo hail dicht bie/ Din main ik dat 't ter is/ En in mien aigenwiezighaid/ griep ik altied mis, mis mis'.

Die eigenwijsheid of eerder eigenzinnigheid is er mede debet aan dat hij zo lang gewacht heeft om zijn liedjes in een studio op te nemen. Hij had geen goede ervaringen met commerciële platenbazen die in Hilversum de dienst uitmaken. De twee lp's zijn in een regionale studio opgenomen, maar tijd om nog meer op te nemen was er niet, terwijl hij nog tientallen liedjes had liggen. Vrienden hebben daaruit nu een selectie gemaakt. Zij presenteerden gisteren een dubbel-cd met nummers die hij allemaal thuis heeft opgenomen. Er staan veel Engelse liedjes op, maar ook Duitse en Nederlandse en zelfs een Deens en een Frans liedje. Niemendalletjes, maar ook weer pareltjes. Wat je voelt als je naar al dat materiaal luistert is spijt en ontroering. Spijt dat hij dit niet in een studio heeft opgenomen, dan zouden begeleiding en geluidskwaliteit zoveel beter zijn geweest, en ontroering omdat die man daar zo in zijn eentje voor zichzelf zat te zingen en natuurlijk omdat veel van zijn liedjes dat effect domweg oproepen. “t Is aans as aans, as aans/ astoe der nait bist/ 't Is aans as aans, as aans/ omdat ik die mis'.

    • Henk van Middelaar