Sorgdrager enige die OM beschermt

Morgen debatteert de Tweede Kamer voor het laatst over de IRT-affaire. Vraag is waarom het gunstige oordeel van minister Sorgdrager (Justitie) over betrokken OM-leden zo sterk afwijkt van eerdere onderzoeken.

DEN HAAG, 5 NOV. Drie officiële onderzoeken - duizenden pagina's, miljoenen woorden - hebben de laatste drie jaar steeds één hoofdschuldige aangewezen voor de 'crisis in de opsporing': het openbaar ministerie. De ontspoorde strijd tegen de georganiseerde misdaad, begonnen met de IRT-affaire, was volgens de commissie-Wierenga (1994), de parlementaire enquêtecommissie-Van Traa (1995) én de rijksrecherche (1996) in de eerste plaats te wijten aan het onvermogen van het OM om adequaat leiding te geven aan de politie, terwijl men het onderling oneens was over wat bij de opsporing was toegestaan.

Zo erkende Van Traa in zijn eindrapport dat politiemensen officieren van justitie onvoldoende inlichtten. Maar dat was niet het belangrijkste euvel. “Zwaarder weegt dat procureurs-generaal, hoofdofficieren van justitie en officieren van justitie (...) niet hun verantwoordelijkheid hebben uitgeoefend door er voor te zorgen voldoende op de hoogte te geraken van de methoden die de CID'en hanteerden”, aldus Van Traa.

De rijksrecherche deed er nog een schepje bovenop. “Door slechte communicatie en een passieve/reactieve opstelling begin jaren negentig heeft het OM in het ressort Amsterdam de ruimte gecreëerd waardoor de CID kon ontsporen. Langendoen en Van Vondel (het koppel dat tonnen drugs importeerde, red.) hebben bewust gebruikgemaakt van deze ruimte.”

Toen de Kamer zich voor de zomer boog over de onderzoeken van Van Traa en de rijksrecherche was minister Sorgdrager er als de kippen bij om nog een onderzoek aan te kondigen: naar het individueel handelen van betrokken OM-leden. Deze 'snelle' manoeuvre, ingegeven door kritiek dat ze te passief was bij het nemen van maatregelen, leidde ertoe dat de Kamer vooral ontstemd was over minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken). Hij zou zich tot dan toe te lankmoedig hebben opgesteld bij het nemen van personele maatregelen tegen bij de IRT-affaire betrokken politiemensen.

Daarin is inmiddels verandering gekomen. Eén politieman, de Gooise CID-chef Van der Putten, werd weggewerkt, tegen een tweede, het Haarlemse CID-hoofd Langendoen, loopt een disciplinair onderzoek. Talrijke hoofdcommissarissen zijn gedwongen van functie te wisselen. Dat leverde overigens voornamelijk promoties op. Straver, als hoofdcommissaris verantwoordelijk voor het duo Langendoen en Van Vondel, vertrekt naar het grotere korps Hollands-Midden, terwijl Wiarda, die de IRT-affaire begon door Amsterdam van corruptie te beschuldigen, het omvangrijkere korps in Den Haag gaat leiden. Met de overplaatsingen heeft Dijkstal in elk geval bereikt dat weinig korpschefs zeker zijn van hun zetel: de carrousel kan alleen maar sneller gaan draaien.

Omdat het zwaartepunt van de kritiek bij Dijkstal kwam te liggen, kon Sorgdrager in relatieve rust het onderzoek naar betrokken OM-leden afwikkelen. Zij deed dat in twee stappen. Eerst gaf ze de procureur-generaal bij de Hoge Raad, Ten Kate, opdracht het functioneren te onderzoeken van PG's die bij de crisis in de opsporing waren betrokken. Het resultaat daarvan was om twee redenen opmerkelijk. Het functioneren van Sorgdrager zelf - zij was tot herfst 1994 PG in Den Haag, waar diverse doorlatingen van soft- en harddrugs plaatshadden - bleek niet onderzocht, omdat de minister dit “moeilijk” zou vinden, aldus Ten Kate. Ook concludeerde Ten Kate dat de PG's in het algemeen weinig te verwijten viel.

De bevinding van Van Traa was: “De vergadering van PG's heeft zich, ook na het uitbarsten van de IRT-affaire, niet inhoudelijk met de praktijk en het gebruik van opsporingsmethoden beziggehouden (...) Zij had de sterk verstoorde verhoudingen tussen de betrokkenen nooit onbesproken mogen laten. De PG's hadden zich nader moeten informeren. Dit geldt in het bijzonder voor procureur-generaal Gonsalves als portefeuillehouder zware, georganiseerde criminaliteit.”

Ook die laatste conclusie kon in de ogen van Ten Kate geen stand houden. Hoewel hij vaststelde dat Gonsalves als portefeuillehouder zware misdaad inderdaad nauwelijks weet had van het toepassen van grensverleggende methoden, kwam hij tot het oordeel dat “aan mr. Gonsalves niet verweten kan worden dat hij in de verhoudingen (...) tekortgeschoten is in het inwinnen van informatie”. Daarmee waren voor Sorgdrager in ieder geval de hoogste gezagsdragers van het OM van alle blaam gezuiverd.

Vervolgens gaf de minister de Amsterdamse procureur-generaal Ficq opdracht het functioneren van de andere betrokken officieren van justitie tegen het licht te houden. Op grond van mysterieuze criteria oordeelde Ficq dat acht van hen daarvoor in aanmerking kwamen. Zijn oordeel is slechts over twee OM-leden op onderdelen negatief: de oud-IRT-officieren Van Capelle en Van der Veen. Van de andere onderzochte officieren van justitie wordt consequent vastgesteld dat zij “niet anders hebben gehandeld dan van hen mocht worden verwacht”.

Wat betreft drie Haarlemse officieren van justitie staat dat oordeel op zeer gespannen voet met conclusies van Van Traa en de rijksrecherche: hoofdofficier De Beaufort, IRT-officier Van der Veen en CID-officier Kuitert. Van Traa stelde over De Beaufort dat hij “zijn gezag, zeker na de IRT-affaire, onvoldoende heeft uitgeoefend” om een einde aan de crisis bij de Haarlemse CID te maken. De rijksrecherche concludeerde dat hij zich “te passief opstelde” en voegde daaraan toe dat op het parket van De Beaufort “de draagwijdte van het CID-werk lange tijd ernstig is onderschat”. Ficq kwam echter tot een uitsluitend positieve beoordeling van De Beaufort: hij oefende juist wèl “het nodige gezag” uit en zorgde voor een “bovengemiddeld zorgvuldige begeleiding van de CID”.

Van der Veen, gekapitteld omdat hij de IRT-methode niet aan zijn superieuren voorlegde en de minister onjuiste informatie gaf over een xtc-onderzoek, krijgt eenzelfde positieve beoordeling. De rijksrecherche kwam nog tot het oordeel dat hij “ernstige beoordelings- en inschattingsfouten” maakte. En Kuitert, die zich volgens Van Traa “onvoldoende op de hoogte heeft gesteld van de activiteiten van de CID Haarlem”, begeleidde de CID Haarlem volgens Ficq “niet afwachtend maar actief sturend”.

Sorgdrager heeft de conclusies van Ficq overgenomen, overigens nadat ze zich eerder ook achter de bevindingen van Van Traa en de rijksrecherche schaarde. Het OM heeft volgens haar ondanks de crisis in de opsporing niet anders gehandeld dan mocht worden verwacht.

    • Marcel Haenen
    • Tom-Jan Meeus