RUFUS COLLINS 1935-1996; Alles was politiek

De gisteren aan de gevolgen van aids overleden regisseur Rufus Collins (60) besefte naar eigen zeggen pas op achttienjarige leeftijd dat hij zwart was. Die late ontdekking van zijn huidskleur en daarmee van zijn politiek-maatschappelijke positie was voor hem van grote betekenis. Collins werd vooral bekend als oprichter en artisitiek leider van De Nieuw Amsterdam (DNA), de eerste (gesubsideerde) multiculturele theatergroep van Nederland.

Weliswaar geboren in Harlem, New York, kreeg hij een 'blanke' opvoeding; zijn moeder, die als strijkster in dienst was bij een blanke familie, vond dat vanzelfsprekend. Zo niet haar zoon, nadat hij op de kloosterschool, waar hij vanaf zijn dertiende tot zijn achttiende jaar verbleef, in een spiegel “een zwarte vlek” ontwaarde. Hij was niet als alle anderen die net als hij opgeleid werden tot priester: hij was zwart.

Vanaf dat moment werd hij, op zoek naar zijn identiteit, “steeds lastiger”. Dat paste ook bij de geest van begin jaren zestig: hij verliet het klooster, volgde lessen aan een Newyorkse toneelschool en sloot zich aan bij het roemruchte Living Theatre, de anarchistische theatercommune. Op tournee kwam hij voor het eerst naar Amsterdam, een stad naar zijn hart. Anders dan in Londen, waar hij na de opheffing van Living Theatre de musicals Hair en Jesus Christ Superstar regisseerde, werd hij hier niet “zeker drie maal per week” staande gehouden door een politie-agent.

In 1983 vestigde hij zich definitief in Amsterdam. Zijn eerste opvallende produktie was The Kingdom, een opera over de zwarte onafhankelijkheidsbeweging op Haïti die hij met 40 allochtone amateurs maakte voor Theater De Engelenbak. In 1987 volgde de oprichting van DNA.

Collins geloofde heilig in de politieke verantwoordelijkheid van kunst. Zijn voorstellingen moesten de wereld veranderen en verbeteren. Alles is politiek, was zijn overtuiging: “Bij alle grote toneelschrijvers, Shakespeare, Ibsen, noem maar op, (vind je) ook thema's die direct verbonden zijn met de politieke problemen die ze om zich heen zagen”. Maar “in de analyse van het racisme” wilde hij niet blijven steken. Door 'slechts' de werkelijkheid te tonen hoopte hij mensen “op andere gedachten” te brengen.

Hoewel de resultaten niet altijd even bevredigend waren, was Collins' theater wel aanstekelijk. Het was 'showy' en viel op door zijn dynamiek en levenslust. Daarbij was zijn grote verdienste de oprichting van het opleidingsinstituut It's DNA, voor jonge allochtonen. Vier jaar geleden nam Alida Neslo de artistieke leiding van DNA van Collins over, na een negatief advies van de Raad voor de Kunst en kritiek van de Amsterdamse Kunstraad op zijn 'dominerende' aanwezigheid. “Ja, ik heb soms een grote bek,” beaamde hij toen. “Maar hoe hadden we anders uit de grond kunnen stampen wat we nu hebben bereikt?”