Openbaar ministerie past politieke terughoudendheid

Is het toelaatbaar dat ambtenaren in het openbaar afstand nemen van de beleidsplannen van hun organisatie? Dat is een vraag waarmee we de laatste tijd verschillende keren zijn geconfronteerd. Politiecommissarissen kritiseren openlijk het beleid van de minister van Binnenlandse Zaken. Hoge functionarissen binnen het leger verklaren het oneens te zijn met de minister van Defensie.

Wat is er ook tegen dat professioneel geschoolde insiders het grote publiek deelgenoot maken van hun - vaak verstandige - visie op wat er mis is in Nederland? Dat kan toch alleen de kwaliteit van de democratische controle op het overheidsbeleid verbeteren? Verschillende politiecommissarissen en generaals zijn op die manier ware volkshelden geworden.

Nu solliciteert ook de voorzitter van het college van procureurs-generaal, het hoogste orgaan van het openbaar ministerie, naar deze rol. Het is alleen de vraag of hij daarvoor zo geschikt is. Naar het oordeel van de Kamer in ieder geval niet. Zoals bekend, is er een verschil van mening tussen de minister (geteund door Kamer en kabinet) en het college van procureurs-generaal over de vraag wie uiteindelijk de zeggenschap heeft over het vervolgingsbeleid. Het verschil van inzicht spitst zich toe op het vervolgen van individuele gevallen. De voorzitter van het college meent dat deze zeggenschap niet bij de minister mag liggen. Minister en Kamer vinden dat deze zeggenschap niet bij de voorzitter van het college mag liggen.

Maar in het licht van de meest recente ontwikkelingen dringt zich nog een andere vraag op. Het gaat om de wijze waarop de discussie over dit onderwerp dient te worden gevoerd. In een democratie is dat primair een discussie tussen de minister en de volksvertegenwoordiging.

Van het staatsorgaan waarvan de bevoegdheden het voorwerp van discussie vormen, zou men een zekere terughoudendheid in de discussie verwachten. Maar daar komt weinig van terecht. Er gaat geen dag voorbij of in de kranten vinden we artikelen van officieren van justitie die protesteren tegen de op handen zijnde wetgeving waarin het primaat van een democratisch gecontroleerd OM zal worden bevestigd. Voor de krantenlezer die niet op de personalia van de schrijvers let, ontstaat zo de indruk van een massaal protest tegen de plannen van de minister, terwijl dit alles uit de bekende hoek komt.

De meest recente bijdrage aan dit protest is afkomstig van het hoogste orgaan binnen het OM: het college van procureurs-generaal. De voorzitter heeft op 11 oktober een brief aan de minister geschreven waarin hij de bezwaren van het college (of hij ook spreekt namens de hoofd- en overige officieren blijft onduidelijk) nog eens uiteenzet. Niets bijzonders dus. Maar hij heeft die brief óók in afschrift aan de Kamer gestuurd. Dat is wel bijzonder. Een dergelijke manier van doen levert enkele problemen op.

Het eerste is een pragmatisch bezwaar dat echter principiële vormen aanneemt wanneer men het in zijn consequenties doordenkt. Als de voorzitter van het college van procureurs-generaal zijn correspondentie met de minister publiekelijk bekend gaat maken, omdat hij zich wenst te ontworstelen aan de bevelsbevoegdheid van de minister, waarom dan ook niet de hoofdofficieren, omdat zij uit willen onder de bevelsbevoegdheid van het college van procureurs-generaal?

En als de hoofdofficieren dat kunnen, waarom dan niet tevens de officieren? Immers ook zij achten zich het centrum van magistratelijke onafhankelijkheid, dat geen inmenging van bovenaf met zijn requisitoirs behoeft te dulden. Het openbaar ministerie, dat geacht wordt één en ondeelbaar te zijn, ontaardt zo in een lawaaierig, gefragmenteerd geheel van ongeleide projectielen.

Het tweede bezwaar dat men tegen het openbaar maken van de brief van de voorzitter van het college kan aanvoeren, is minstens zo belangrijk. In een democratie moeten aangestelde ambtenaren althans de fictie hooghouden dat zij kunnen leven met verschillende beleidsopties die door de politiek verantwoordelijken worden overwogen. Wanneer zij echter tegen één van de opties die door de wetgever worden overwogen een lange protestcampagne voeren, dan ontstaat twijfel of zij daarna nog wel loyaal kunnen meewerken aan het uitvoeren van de democratisch tot stand gekomen wettelijke regeling.

Als derde bezwaar tegen het publieke verzet van het OM tegen de plannen van de wetgever kan men aanvoeren dat het onwenselijk is dat belangengroeperingen een zwaar stempel drukken op wetgeving die vooral gericht moet zijn op het algemeen belang. Hoe de bevoegdheidsverhouding is tussen minister en OM, is aan de wetgever om te beslissen.

Daarbij laat die wetgever - zowel de minister als de volksvertegenwoordiging - zich natuurlijk voorlichten door deskundigen. Gelukkig is over dit vraagstuk een grote hoeveelheid literatuur verschenen, omdat het al sinds 1827 een voorwerp is van uitvoerige discussie.

Aan de veelheid van argumenten voor deze of gene regeling blijkt het college van procureurs-generaal in de brief van 11 oktober niets nieuws toe te voegen. Wat het college doet, is nogmaals het persoonlijke oordeel van enkele hooggeplaatsten in de OM-hiërarchie onder de aandacht van minister en Kamer brengen. Door met zoveel nadruk in alle openbaarheid zijn kritiek op een democratisch gecontroleerd opsporingsbeleid onder de aandacht te brengen, wekt het de schijn van oneigenlijke beïnvloeding van het wetgevingsproces.

Men mag hopen dat Kamerleden zich door het protest van de direct belanghebbenden niet laten afleiden van hun taak: het maken van een regeling die in het belang is van de democratische rechtsstaat.

Zo hier en daar duiken in de krant berichten op die verontrustend zijn omdat men uitvoerig aandacht besteedt aan de vraag of de voorzitter van het college van procureurs-generaal en de minister van Justitie het 'eens waren' over de regeling die door de minister aan de Kamer is voorgelegd. De minister zou hebben gezegd dat tussen haar en het college overeenstemming was, maar volgens de woordvoerder van het college is van overeenstemming geen sprake. Waaraan voorbij wordt gegaan, is dat het slechts beperkt relevant is of minister en college het eens waren. Relevant is, is of de minister het eens is met kabinet en Kamer.

Blijkens het verslag van het beraad dat de minister heeft gehad met de Vaste Commissie voor Justitie op 3 oktober is de Kamer goed op koers. Alle politieke partijen bevestigen het primaat van een democratisch gecontroleerd vervolgingsbeleid. Laten we hopen dat de Kamer aan die koers weet vast te houden, ook bij tegenwind.

En laten we hopen dat de ambtenaren van het openbaar ministerie gaan inzien dat hun publiekelijk beleden obstructie tegen democratisch overheidsbeleid hun organisatie geen goed doet. De ambtenaren bij het OM zijn erg bang voor politieke bemoeienis met het hun organisatie, maar het OM zou zich wat meer zorgen moeten maken over zijn eigen bemoeienis met de politiek.

    • P.B. Cliteur