Nederlandse muziek (2)

In zijn artikel 'Orkesten tegen verplicht Nederlands quotum - Zal het Nuis nu lukken wat eerder slechts de Duitsers in de oorlog voor elkaar kregen?', zet Emile Wennekes, als hij mijn dissertatie citeert, de lezer toch even op het verkeerde been.

“De componisten kregen (in 1941) bijval uit onverwachte hoek: hun hartekreet werd verhoord door de Duitse bezetter.” Dàt is niet waar. De Duitsers bemoeiden zich vooral met ideologische zaken zoals het wel of niet ten uitvoer mogen brengen van bepaalde muziek. Zij verboden bijvoorbeeld Engelse, Poolse, Russische en Amerikaanse muziek, en uiteraard ook muziek van joodse componisten. Maar een maatregel als deze - twintig tot dertig procent van alle uit te voeren muziek van Nederlandse componisten - kwam, en dat schrijft Wennekes ook, van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Een NSB-ministerie, waar Nederlandse ambtenaren, geïnspireerd door de ontwikkelingen in Nazi-Duitsland, hoedden over de Nederlandse kunsten en over de 'kunst van eigen bodem'.

Overigens vormde de maatregel ook toen een onderdeel van een groter geheel: de sanering van het orkestwezen. Door het departement werd een nieuwe, voor Nederlandse begrippen unieke subsidie- en salarisregeling voor de orkesten ingevoerd, die na de oorlog gewoon gehandhaafd bleef. Natuurlijk waren in 1941 aan deze regeling voorwaarden verbonden. Voor wat hoorde wat. Eén daarvan was de verplichting werken van Nederlandse componisten meer dan voorheen in de programma's tot hun recht te laten komen - een maatregel waar het Genootschap van Nederlandse Componisten al lang vóór de oorlog op had aangedrongen. Een andere plicht was het zo veel mogelijk engageren van Nederlandse solisten en dirigenten. Maar dat was toen, gezien de oorlogstoestand, niet zo moeilijk.

Dat Nuis nú zal lukken wat eerder slechts het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten tijdens de bezetting voor elkaar kreeg, lijkt mij erg onwaarschijnlijk.