Historicus Geyl

In zijn rubriek van 22 oktober heeft J.L. Heldring aandacht besteed aan de afscheidsbundel van de Leuvense historicus Lode Wils en wel naar aanleiding van diens beschuldiging aan het adres van de in 1966 overleden Geyl. Wils klaagt daar letterlijk dat “zijn historisch zedelijkheidsbesef [...] gekwetst” wordt, omdat Geyl, door later te ontkennen dat hij oorspronkelijk de vernietiging van België als staat had gewild, “zo brutaal kon liegen”.

Maar meer nog voelt hij zich gekwetst door het stilzwijgen daarover van de kant van Geyl's vereerders. Wie niet beter weet, moet hieruit concluderen dat Geyl inderdaad 'loog', aangezien zijn 'vereerders' nooit Wils' beschuldiging zouden hebben weerlegd. Een indruk die blijkbaar ook bij de Rotterdamse historicus P. Blaas bestaat, die in zijn bespreking van Wils' boek (waar Heldring naar verwijst) diens verwijten commentaarloos en dus als zijns inziens juist vermeldt.

Het is hier niet de plaats om de hele kwestie nog eens op te rakelen. Twee dingen moeten echter voor de minder ingewijde lezer van Heldrings rubriek worden gezegd. Ten eerste: sedert decennia is over Geyls visie tussen 'Leuven' en 'Utrecht' een debat gevoerd en P. van Hees is in zijn bespreking van Wils' bundel wederom op de aanvechtbaarheid van diens aantijgingen ingegaan. De discussie is inmiddels volkomen steriel. Echter voor Wils geldt blijkbaar niet 'wie zwijgt stemt toe', maar 'wie niet toestemt, zwijgt'. Och, het is ook een opvatting en aangezien mijn historisch zedelijkheidsbesef kennelijk iets robuuster is, voel ik mij daardoor ook minder gekwetst dan dat ik een kleine aanvulling wel zinnig acht.

Ten tweede. Wat Geyl betreft: dat hij “brutaal kon liegen” komt uit de rijke koker van Gerretson in zijn briefwisseling, die daar aan toevoegde, dat Geyl zelf nog in zijn leugens geloofde ook. Een doorslaggevende opmerking. De heren wogen hun woorden bij hun kameraadschappelijke mannen-ruzies niet op een goudschaaltje, maar wat een verschil: Gerretsons plagerige ironie en de daarvoor totaal onontvankelijke Wils, die dat triomfantelijk in heilige ernst als een 'ipse dixit' (van Gerretson nota bene) overneemt om zijn bête noir, Geyl, te treffen. Dat die na 1918 het uiteenvallen van België wenste en mogelijk achtte is juist. Hij stond daarbij ook volstrekt niet alleen. Dat hij dit later illusoir vond en een gematigd en realistisch standpunt innam, maar de neiging vertoonde om dit ietwat terug te projecteren is eveneens waar en vandaag ook onbetwist. Het is een zeer algemene neiging.

Wie dit echter 'brutaal liegen' noemt - en nog zonder die onmisbare toevoeging van Gerretson, kent de menselijke geest niet. Voor Wils blijft Geyl de agent van een lugubere conspiratie, die blijkbaar uit een miraculeus mengsel van Calvinistisch anti-papisme, Groot-Nederlands imperialisme en daarachter Duitse machinaties bestond. Kuyper, Geyl en Ludendorff... een interessant trio om België de hals om te draaien!

In 1984 schreef ik naar aanleiding van die theorie: “Het ontbreekt er alleen nog aan dat hij [Wils] Geyls historisch-wetenschappelijke werk in die periode (namelijk de jaren '20) als camouflage voor zijn politiek gewroet opvat.” Ik lijk inmiddels op mijn wenken bediend. En dat terwijl ook deze vereerder blijkbaar zweeg.

    • H.W. Von der Dunk