Filosofen

Een leuke filosoof lijkt mij Eduard von Hartmann (1842-1906). Hij wist dat de aarde een tranendal was. Dat pogingen tot verbetering uitzichtloos waren. Dat zelfs collectieve zelfmoord niet zou helpen, omdat het rad zou blijven draaien en het collectieve onbewuste, waar wij allen deel van uitmaken, ooit weer eens tot leven zou komen, zoals het eerder tot leven was gekomen in ons.

Hij was niet de eerste die dit dacht, maar zijn oplossing was origineel: wetenschap en vooruitgang. Niet om gelukkiger te worden, want dat kon niet, maar om het collectieve onbewuste zoveel kennis te leveren, dat het zichzelf tenslotte op een manier zou kunnen vernietigen waardoor het nooit meer terug zou kunnen komen. Gedisciplineerd op weg naar het Niets!

Hartmann komt uitvoerig ter sprake in de Bolland-biografie van Willem Otterspeer. Helaas, Otterspeer lijkt maar weinig waardering voor de Duitse sciencefiction-filosoof te hebben. Het verschil in appreciatie ligt misschien aan het feit dat Otterspeer hem echt gelezen heeft en ik alles maar van horen zeggen heb. Zelfs de olijke Hartmann durf ik niet te lezen.

Een mooie biografie. Graag lees ik een perfectionistisch auteur die, om zijn held in een historisch kader te plaatsen, zelfs niet opziet tegen een onderzoek naar de Groningse bestrating halverwege de vorige eeuw. Maar hij gaat wel over Bolland en daardoor over de Duitse filosofen die zijn leermeesters waren. Ik zou ze graag lezen, die filosofen, maar ik kan het niet. Het is dwangarbeid die te zwaar voor me is. Ik wordt al duizelig na de eerste zin. Diepzinnige passages komen me voor als een parodie op zichzelf. De begrippengymnastiek wordt uitgevoerd met woorden die voor mij geen betekenis hebben. Heb geduld, bedenk ik. De woorden zullen in hun context betekenis krijgen. Maar misschien ook niet, vrees ik soms. Is er wel echt verschil tussen diepzinnigheid en zotte parodie?

Hier is een passage van een modernere filosoof, Jacques Derrida: “Hoewel structuur, of liever gezegd de structuraliteit van structuur, altijd een rol heeft gespeeld, is die altijd geneutraliseerd of gereduceerd, en dit door een proces waardoor het een centrum wordt gegeven of een verwijzing krijgt naar een aanwezigheidspunt, een vaste oorsprong.“ Zal deze orakeltaal in zijn context een betekenis krijgen? Wacht af, we komen er op terug.

Het Amerikaanse tijdschrift Social Text werd afgelopen zomer het slachtoffer van een intellectuele practical joke. Het is een tijdschrift waarin cultuur en samenleving op postmoderne filosofenmanier worden bekeken. In het spoor van denkers als Derrida, Lyotard en Baudrillard worden verhalen geconstrueerd. Ook het verhaal van de wetenschap, dat in deze postmoderne visie een verhaal uit vele is, zonder een speciale aanspraak op objectiviteit en waarheid te kunnen maken. Een natuurkundige, Alan Sokal genaamd, ergerde zich daar zo aan dat hij een artikel naar Social Text stuurde dat een bizarre parodie was. Het bestond voor een deel uit citaten van filosofen. De eigen tekst van Sokal leek erg op die citaten, maar was onzin. Het artikel heette: Overschrijding van de grenzen - Naar een Transformatieve Hermeneutica van Quantum Zwaartekracht. Dit betekent in het geheel niets. Sokal schreef dingen als “de van Euclides en de G van Newton, die vroeger als constant en universeel werden beschouwd, worden nu gezien in hun onontkoombare historiciteit.“ Dit betekent wel iets, maar het is volstrekte flauwekul.

Het klonk toch mooi genoeg voor de filosofische tijdschriftredacteuren en ze publiceerden het artikel in hun blad. Vervolgens maakte Sokal bekend dat het een grap was geweest. Verlegenheid onder de redacteuren. Een van hen beweerde dat het artikel wel degelijk ernstig gemeend was geweest door Sokal, en dat hij later een draai had genomen. Dit kon niet staande worden gehouden.

Er ontstond een uitvoerige discussie over de verhouding tussen cultuur, filosofie en wetenschap. Sommigen verweten Sokal intellectuele kwade trouw. Anderen waren hem dankbaar dat hij had aangetoond dat de filosofen van Social Text hun eigen teksten niet van een dolzinnige parodie konden onderscheiden.

Het eerder aangehaalde citaat van Derrida kwam uit een lezing die hij gaf. Na afloop vroeg een andere Franse professor wat hij precies bedoelde met het begrip 'centrum'. Derrida antwoordde zo: “De constante van Einstein is geen constante, is geen centrum. Het is bij uitstek het concept van variabiliteit - het is, tenslotte, het concept van het spel.“ Dit laatste citaat was door Sokal gebruikt in zijn artikel. Het is zeer de vraag of de Franse vraagsteller veel wijzer is geworden van dit antwoord. De natuurkundige Steven Weinberg, die in de discussie over Sokals artikel in de New York Review een scherp antifilosofisch standpunt innam, wees er op dat de 'constante van Einstein' die Derrida, voor geen gat te vangen, in zijn antwoord uit de hoed had getoverd, helemaal niet bestaat. “Het lijkt me dat Derrida in zijn context nog erger is dan Derrida buiten de context“, schreef Weinberg.

Dit alles doet erg denken aan de schermutselingen aan het begin van deze eeuw tussen filosofen en natuurkundigen, zoals ze worden beschreven in de Bolland-biografie. Sommige natuurkundigen, onder de indruk van het succes van hun vak, meenden dat de natuurwetenschappelijke methode de juiste methode was bij iedere vorm van kennisverwerving. Een filosoof als Bolland vond dat een natuurkundige die niet in Hegel doorkneed was, eigenlijk niet veel meer was dan een loodgieter. In deze discussie geeft Otterspeer de filosofen meer krediet dan ik zou doen, maar zoals gezegd, ik heb een blinde vlek in dit opzicht, die ik zorgvuldig koester.

Je zou kunnen zeggen dat de discussie tussen mensen als Sokal en Weinberg aan de ene kant en de postmoderne filosofen van Social Text aan de andere kant een argument levert voor de actualiteit van Bollandsiaanse wetenschapsdiscussies. Je kan het ook wat onvriendelijker uitdrukken en zeggen dat de filosofen in de afgelopen eeuw niet veel zijn opgeschoten, sommigen althans.