Bijstandsfraude met een hoger doel

Als iemand onder bepaalde omstandigheden een brood mag stelen, mag hij dan ook een beetje bijstandsfraude plegen als de nood erg hoog is?

Enkele weken nadat bisschop Muskens de discussie over het gestolen brood is begonnen, stappen Bram Vermeer (34) en Anna Krelikshof (43) bij de Haagse politierechter, mr. R. Dekkers, binnen. Het samenwonende duo wordt beschuldigd van bijstandsfraude. Zij hebben voor de sociale dienst verzwegen dat zij samenwonen. Op die manier hebben zij van 1993 tot 1995 de gemeenschap voor 43.000 gulden benadeeld.

Hun advocaat, mr. R. Pohlkamp, vraagt dringend om aanhouding van de zaak. Het is een bijzonder geval, betoogt hij, met een grote emotionele lading. De reclassering zou eerst rapport moeten uitbrengen. De officier van justitie, mr. C. van der Voort, vindt het uitstel onnodig. “We kennen de weinig vrolijke situatie van het gezin. Deze zaken kunnen meestal worden afgedaan met dienstverlening.”

De rechter aarzelt. Hij stelt voor in ieder geval de feiten vast door te nemen. Eerst wendt hij zich tot Anna. “U heeft gezegd: misschien leven we voor de overheid samen, maar voor mij is dat emotioneel niet zo.”

“Ja. Vanwege het verleden.”

“U wilde uw uitkering houden, onafhankelijk van hem.”

“Ik wilde mezelf beschermen. Ik was bang dat ik alleen kwam te staan. Ik had al een huwelijk achter de rug, en Bram liep vaak weg.”

“Toch was u al jaren bij elkaar.”

“Ik verlangde wél naar een vaste relatie, maar ik had die in feite niet. Bram had altijd de neiging om te gaan zwerven. Hij hield van gokken en had schulden. Ik ben nog altijd bang dat er een scheiding komt.”

“En u, meneer Vermeer?” vraagt de rechter.

“Ik vind de relatie goed. En ik heb ook weer werk gevonden.”

De rechter wendt zich weer tot Anna. “Ik ben geen relatietherapeut, maar hoort u wat meneer zegt?”

Anna knikt, zonder veel overtuiging. Bram schiet haar te hulp. “Ik was vaak afwezig. Ik verbleef overal en nergens. Ik had al een slechte band met mijn ouders die mij in de steek hebben gelaten. Toen ik met Anna was, liet wéér iedereen ons in de steek omdat wij een hyperactief kind hebben.”

Hun kind, Johnny, speelt een centrale rol in het drama van Bram en Anna. Het bleek al snel na de geboorte in 1990 een nogal onhandelbaar kind. Normale ouders krijgen het al zwaar met zo'n kind, laat staan Anna Krelikshof, die het moeilijk genoeg had met het verwerken van haar eigen traumatische verleden.

Haar jeugd komt op de zitting niet aan de orde, maar blijkt cruciaal voor een goed begrip van haar geestelijke toestand. Zij is zelf een ongewenst kind geweest. De abortus bij haar moeder was mislukt, wat Anna vanaf haar vroegste jeugd stevig ingepeperd kreeg. Zij werd al als baby mishandeld, haar ouders dwongen haar later vaak staande te eten of gooiden haar in blinde woede in de kelderkast. Op vakanties moest zij vaak als enige in de auto overnachten, terwijl de rest van het gezin caravan of tent opzocht. Op 15-jarige leeftijd liep Anna voorgoed van huis weg: haar eerste, mislukte relatie tegemoet.

Toen Anna in 1993 de problemen met Johnny niet meer aankon, werd het kind in een kindertehuis geplaatst. Er begint dan een langdurige strijd met de instanties om Johnny weer terug te krijgen. Dat lukt tenslotte, na inschakeling van de rechter en de media. In diezelfde jaren pleegden Anna en Bram de bijstandsfraude.

Als de rechter doorvraagt, komt de aap uit de mouw: er blijkt een verband te bestaan tussen de fraude en de situatie met Johnny.

“We hebben tegenover de kinderbescherming altijd de schijn opgehouden dat het perfect tussen ons ging en dat we samenwoonden”, bekent Bram. “Wij waren bang dat de instanties Johnny niet zouden teruggeven, als ze wisten dat ik er vaak niet was. Daarom heb ik het spel meegespeeld. Ik voel me daar niet schuldig onder. Ik denk dat ik haar en haar kind daarmee op aarde heb gehouden. Dat kind was nu eenmaal enorm belangrijk voor haar. Of het fraude is, kan me niet schelen. Dat ik hier naast haar zit, vind ik veel belangrijker.”

Bram voegt er nog aan toe dat hij wel meer wil vertellen over zijn zwerftochten, maar niet hier, waar Anna bij is. Hij heeft nogal wat criminele vrienden gehad, zoveel is duidelijk, en hij heeft daar Anna nooit over ingelicht. “Ik wil dat alleen tegen de reclassering kwijt.”

Bram en Anna hebben de reclassering vooral nodig om hun levensverhaal te vertellen - het verhaal dat de fraude moet verklaren en rechtvaardigen. Maar ook de rechter vindt dat een onnodige omweg. “Daarna moet u toch weer terugkomen naar dit troosteloze gebouw. Heeft u niet gewoon hulp nodig?”

“Het gaat goed”, mompelt Bram, “we zijn er bijna.”

De rechter vraagt hoe het nu met Johnny gaat.

“Hij heeft veel faalangst”, zegt Anna, “hij vertrouwt de mensen niet en hij voelt meteen aan als het niet goed tussen ons zit.”

“Heeft u nog de behoefte dat ik verder word voorgelicht via de reclassering?” vraagt de rechter.

“Heel sterk”, zegt Anna. “Dan wordt u de achtergrond veel duidelijker. Het gaat terug tot mijn geboorte.”

De rechter stelt voor dat ze een denkpauze nemen om met hun advocaat te overleggen. Na de hervatting zegt de advocaat: “Ze zeggen dat de waarheid nog steeds niet helemaal op tafel is gekomen.”

“Om met een Griekse filosoof te spreken”, zucht de rechter, “kan de waarheid ooit wel helemaal op tafel komen?”

“Het gaat om helderheid en een rechtvaardige straf”, zegt de advocaat. “Deze mensen konden jarenlang hun ei niet kwijt.”

De officier komt er tussen. Ook voor hem blijkt de denkpauze nuttig te zijn geweest. “Mijn houding was in het begin misschien wat bot. Ik begrijp nu wat u wilt, ik heb goed geluisterd. Laat mij eerst de strafmaat voorstellen, dan kunt u daarna nog zien of u rapportage door de reclassering wilt.”

“Houdt u zich maar stevig aan uw vriend vast”, zegt de rechter tegen de snikkende Anna, “maar er gaan geen vreselijke dingen gebeuren. Wij hebben goed gekeken naar uw achtergrond.”

De officier stelt schuldigverklaring zonder oplegging van straf voor. “Het is mij nu duidelijk geworden dat de emotionele werkelijkheid kan verschillen van de werkelijkheid van de sociale dienst en van ons. Volgens de richtlijnen zou ik vijftien weken gevangenis - om te zetten in dienstverlening - moeten eisen, maar ik wijk daar vanaf omdat u een andere intentie heeft gehad.”

Bram en Anna leggen zich neer bij deze eis, die door de rechter wordt overgenomen. “Ik wens u veel sterkte”, zegt de rechter. “Als ik meneer Vermeer zo naast u zie zitten, mevrouw, dan zou ik me niet te veel zorgen maken.”

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

    • Frits Abrahams