Bankroet DAF krijgt voor rechter principieel staartje

ROTTERDAM, 5 NOV. De spelling van de naam van zijn voormalig financieel directeur kon ex-topman Van der Padt van DAF zich niet meer herinneren, maar de inhoud van het prospectus voor beleggers voor een obligatielening uit 1988? Hij wist niet beter dan dat deze beleggers zouden delen in dezelfde zekerheden (machines, voorraden) voor terugbetaling van hun geld die de banken of andere financiers in de toekomst ook zouden krijgen.

Toen DAF in 1988 voor 150 miljoen gulden obligaties uitgaf (lening met vaste rente, die na vijf jaar in gedeelten weer zou worden afbetaald) was het bedrijf niet beursgenoteerd. Dat volgde in 1989. Om beleggers voor het nog relatief onbekende DAF over de streep te trekken kregen zij de belofte dat DAF hen in slechte tijden even goed zou behandelen als andere geldschieters.

Althans, dat dachten zij. Toen DAF in 1993 bankroet ging, waren zij hun geld kwijt. De verklaring die Van der Padt drie jaar geleden aflegde in een voorlopig getuigenverhoor is een van de argumenten die gedupeerde beleggers van DAF morgen zullen aanvoeren om terugbetaling te eisen van zo'n 140 miljoen gulden plus rente. Dat geld is hun aandeel in de opbrengst van de DAF-boedel. DAF is opnieuw op de weg gezet, met het behoud van werkgelegeheid van 2.500 mensen, maar het faillissement laat financieel en emotioneel zijn sporen na.

De banken die DAF in 1992 op de been hielden hadden als zekerheden voor terugbetaling van hun miljardenkredieten alle bezittingen van het bedrijf in onderpand genomen. Alle machines, gebouwen en voorraden waren eigendom van de bank als DAF failliet zou gaan.

De obligatiebeleggers dachten op basis van de tekst van het prospectus ook deze “harde” bezittingen te hebben, maar ze bleken slechts recht te hebben op waardeloze papieren bezittingen: de aandelen van DAF-dochters. Zo stond het in het prospectus en de bijbehorende trustakte, zeggen de banken. Bovendien is de trustmaatschappij, die de belangen van de obligatiebeleggers moet behartigen, eerder akkoord gegaan met deze verdeling.

De beleggers zijn het daar niet mee eens en hebben na lang aandringen en het nodige onderlinge gekissebis de trustmaatschappij zo ver gekregen te gaan procederen tegen het bankensyndicaat van DAF. De beleggers hebben twee ijzers in het vuur: de banken van DAF (verenigd in de stichting Ofasec) hebben onrechtmatig gehandeld door de beleggers uit te sluiten van de “harde” zekerheden van DAF; en het prospectus uit 1988, waarvan de toenmalige Amro (nu: ABN Amro) de eerste ondertekenaar was, deugde niet.

Bijna twee jaar geleden hadden de beleggers voldoende geld bij elkaar om de dure juridische procedure te betalen. Morgen worden bij de Amsterdamse rechtbank de pleidooien gehouden. Advocaat van de beleggers is mr. R. Schimmelpenninck, die ook nog overuren maakt als curator bij Fokker. Het bankensyndicaat laat zich vertegenwoordigen door mr. A. Kist, ABN Amro door mr. A. Blom, onlangs gepromoveerd op een proefschrift over aansprakelijkheid van banken bij een prospectus.

De belangen die op het spel staan zijn groot. Het gaat niet alleen om veel geld (140 miljoen is zelfs voor grote banken niet zonder betekenis), er is ook (aan beide kanten) een principieel argument en er is de dreiging van een jaren voortslepende procedure plus publiciteit. De afloop heeft een bredere strekking: op de beurs worden meer obligaties verhandeld die met een vergelijkbaar prospectus als bij DAF zijn uitgegeven. Daarmee raakt de zaak ook het toezicht dat de beurs uitoefent ten behoeve van het vertrouwen in de financiële markten, omdat zij elke prospectus vooraf beoordeelt.