Palestijnen in Hebron 'hebben wapens, heel veel wapens'

HEBRON, 4 NOV. De brandstichting in de nacht van zaterdag op zondag in een Palestijns huis vlak bij de joodse nederzetting Kiryat Arba werd gisteren druk besproken in Hebron. Op diverse plaatsen in de grote Palestijnse stad op de Westelijke Jordaanoever vertelden Palestijnen dat kolonisten er brandbommen in hadden gegooid. Indien het nog niet afgeronde Israelische politieonderzoek anders zou uitwijzen, zullen zij dat nooit geloven.

“Die brandstichting is onderdeel van de campagne van de kolonisten om ballagan, rotzooi, te maken”, zegt Abed, de Palestijnse eigenaar van een café schuin tegenover het Beit Hadassa huis in de kleine joodse enclave in Hebron. “De kolonisten willen rotzooi om de uitvoering van het akkoord van Oslo (de hergroepering van het Israelische leger in de stad) te torpederen. Ze spelen met vuur. We hebben wapens. Heel veel wapens. Als de kolonisten niet ophouden ons op alle mogelijke manieren te vernederen en te provoceren komt het in Hebron tot een verschrikkelijke explosie. Ik zeg dat ons geduld uitgeput raakt.”

De zenuwen van rabbijn David Shiskal, tot voor twee jaar rabbijn van de 'Grot van Makpela' waar de aartsvaders zijn begraven, zijn niet minder gespannen. “Waar is de Torah (vijf boeken Mozes) die het legerrabbinaat in deze heilige arke heeft geplaatst”, vraagt hij verschrikt. Hij staat voor de zojuist door hem geopende heilige arke in het als synagoge dienende zaaltje boven het graf van Abraham en Sara. “Dat is een slecht voorteken”, zegt hij. “Betekent dit dat het leger de Torah heeft weggehaald als voorspel tot de overdracht van de Grot van de Machpella aan de Palestijnen?”

Niets in het akkoord van Oslo betreffende Hebron duidt daarop. In de religieuze status-quo, zoals die sedert de Israelische verovering van Hebron in 1967 aan de Palestijnse religieuze autoriteiten in de grot werd opgelegd, komt bij overdracht van de grootste delen van Hebron aan de Palestijnse bestuursautoriteit van Yasser Arafat geen wijziging. Minister van defensie Moshe Dayan maakte na 1967 een einde aan de situatie dat joden slechts tot de zevende trede van de buitenste trap (op het niveau de graven van Abraham en Sara) mochten bidden. Het islamitische bestuur over Hebron had die voor de joden vernederende maatregel 700 jaar geleden uitgevaardigd.

Zelfs de in religieuze joodse kringen als gematigd gekenmerkte Fayez Daoud Qawasme, lid van de Palestijnse Nationale Raad, wil de religieuze status-quo in de Grot van Makpela wel degelijk tot voor 1967 terugdraaien en de joden niet verder dan tot de zevende tree buiten de Ibrahim-moskee (de islamitische benaming voor de grot) toelaten. “Die heilige plaats is van en voor de islam.” Ondanks deze opstelling, die de kolonisten in Hebron als een oorlogsverklaring in de oren klinkt, zegt deze telg uit één van de oudste en invloedrijkste families in Hebron bereid te zijn “een joodse aanwezigheid in Hebron (in de oude joodse wijk waar in 1929 tijdens een pogrom circa 70 joden werden vermoord) te aanvaarden. Ik ben voor vreedzame coëxistentie met de joden.”

Voor Israels premier Benjamin Netanyahu heeft deze Palestijn geen goed woord over. In diens geproclameerde vredesintenties gelooft hij niet. Toch is hij er “bijna” zeker van dat Netanyahu het akkoord van Oslo inzake Hebron zal uitvoeren. “De druk van de internationale gemeenschap op hem is enorm. Maar ook de helft van het Israelische volk wil vrede. Ik heb zaterdagavond die grote herdenkingsbijeenkomst voor Rabin in Tel Aviv op de tv gezien. Zo ontzettend veel mensen kwamen daar (volgens Israelische schattingen tegen de 150.000) om hun steun aan de vredespolitiek met de Palestijnen van de vermoorde Israelische premier te betuigen. Dat geeft hoop.”

Mocht het terugtrekken van de Israelische troepen uit Hebron niet doorgaan of nog lang worden uitgesteld dan voorziet Qawasme de “opleving van de intifadah. Niemand kan ons dan meer tegenhouden. De Palestijnen in Hebron staan onder hoogspanning. De stad kan in een ommezien exploderen.”

Noam Arnon, de woordvoerder van de joodse kolonisten in de joodse enclave in Hebron, kan “niet met zekerheid zeggen dat er geen nieuwe Baruch Goldstein (de dader van de massa-moord in de Ibrahim-moskee in 1994) in Hebron opstaat” om de entree van de Palestijnse politie in de stad te verijdelen. De kolonisten in de joodse enclave en in Kiryat Arba zijn doodsbang voor de komst van de “gewapende soldaten” van Yasser Arafat. “We zullen niet tolereren dat deze misdadigers het spel winnen”, zegt Noam Arnon “Als ze komen, wordt het een botsing”.

Hergroepering van het Israelische leger in Hebron betekent dat de Palestijnse politie “op schietafstand” van de joodse woonwijk Kiryat Arba en de joodse enclave in Hebron komt te liggen. Op enkele punten nabij het veiligheidshek om Kiryat Arba is dat al zo. “Als de Palestijnse politie komt, zal ze op huizen van joden schieten. Joden zullen terugschieten”, is het scenario dat volgens Noam Arnon Hebron staat te wachten. “Wij waarschuwen Netanyahu voor de enorme gevaren waaraan hij ons blootstelt als hij de Palestijnse politie naar de stad van onze aartsvaders laat komen. Dan wordt het oorlog in Hebron. De Palestijnen hebben duizenden wapens.”

Hebron lijkt deze dagen van gespannen afwachting van een akkoord tussen Netanyahu en Arafat over het lot van de stad een Israelische militair garnizoen te zijn. “We worden door de kolonisten èn Palestijnen beschimpt”, zegt een soldaat. “Ze kunnen niet begrijpen dat we hier zijn om hen tegen elkaar te beschermen.”

    • Salomon Bouman