'Naar godsdienstsocioloog wordt niet geluisterd'

Godsdienstsocioloog prof. dr. G. Dekker (65) heeft na 25 jaar afscheid genomen van de Vrije Universiteit in Amsterdam.

BAARN, 4 NOV. Theologen zeggen dingen die te mooi zijn om waar te zijn en sociologen dingen die te waar zijn om mooi gevonden te worden. Met die woorden vat prof.dr. G. Dekker, die onlangs als socioloog afscheid nam van de VU, samen waarom kerkelijke functionarissen in het algemeen weinig fiducie hebben in godsdienstsociologische onderzoekingen.

“Zelden heeft men willen luisteren naar wat godsdienstsociologen over de ontwikkelingen op kerkelijk en godsdienstig terrein signaleerden”, zegt Dekker. “Naar wat wij zeiden, werd eenvoudigweg niet geluisterd. Het werd je nooit in dank afgenomen. Onze cijfers konden niet waar, mochten niet waar zijn als ze niet strookten met wat men aan de toppen van de kerken wenste te horen. Zo veel 'wishfull thinking' bestaat daar, dat men weinig of niets omtrent de rauwe werkelijkheid wenst te horen.”

Meer dan 25 jaar was de uit Naaldwijk afkomstige Dekker aan de VU verbonden. Eerst als sociologisch onderzoeker en sinds 1980 als hoogleraar in de godsdienstsociologie. “Ik heb een prettige gereformeerde opvoeding gehad. Niet van dat benepene à la Maarten 't Hart. Mijn ouders hadden een textielwinkel, waarin ik natuurlijk al van jongs af moest meewerken. Daardoor kreeg ik interesse voor het sociale en het economische leven”, vertelt Dekker.

Uiteindelijk mocht hij gaan studeren. “Eerst nog staatsexamen HBS-A gedaan en in 1949 ging ik naar de VU. Die was toen nog een echte gereformeerde universiteit, zonder een cent overheidssubsidie en geheel en al gefinancierd door de kerkelijke achterban. Dat wil niet zeggen dat de VU een universiteit van de gereformeerde kerken was. Zij stond er helemaal los van. Ook hier gold Abraham Kuypers oude principe van 'soevereiniteit in eigen kring'.”

Dekkers wetenschappelijke carrière begon bij het Gereformeerd Sociologisch Instituut dat in 1954 was opgericht maar in 1966 al weer werd opgeheven. Voor sociologie en godsdienstsociologie bestond in kerkelijke kringen in de naoorlogse jaren nog heel veel belangstelling. Alle grotere kerken hadden een eigen sociaal-geografisch of sociologisch onderzoekbureau. Omdat binnen de hervormde kerk direct na de oorlog werd gedacht aan herkerstening van de samenleving, maakte men op grote schaal van de diensten van sociologen gebruik.

“Dat herkerstenings-denkbeeld was typisch voor de hervormde kerk”, zegt Dekker. “De gereformeerden die niet van het idee van een 'volkskerk' uitgaan, zijn wat dat betreft heel wat nuchterder. Ze kennen die hervormde 'regentenmentaliteit' niet, zij het dat gereformerden zich wel degelijk verantwoordelijk voelen voor de hele samenleving. Daarom was het sociologisch onderzoek van gereformeerde kant ook meer gericht op de vraag waarom de arbeiders en de jongeren zich van de kerken afkeerden dan op de vraag of Nederland moest worden herkerstend. Daar kwam nog bij dat de kerken de sociologen overbodig vonden, toen die zich wat mondiger opstelden en wat kritischer tegenover de kerken werden. Toen hadden de kerken ons plotseling niet meer zo hard nodig en zijn de drie onderzoeksbureaus bijna helemaal verdwenen.”

Dekker benadrukt dat godsdienstsociologie een zelfstandige subdiscipline van de sociologie is. Zoals je ook bedrijfssociologie en gezins- en agrarische sociologie hebt. “Zoals je niet getrouwd hoeft te zijn of een gezin hoeft te hebben om iets over gezinssociologie te zeggen, zo hoef je strikt genomen ook niet gelovig te zijn om godsdienstsociologie te beoefenen. Het hoeft niet, maar het helpt wel”, zegt Dekker, “want dan spreek je al enigszins de taal van de mensen met wie je als onderzoeker in gesprek komt.” Tot de jaren zestig was godsdienstsociologie nog een florissant vak, “maar in de jaren zestig en zeventig liep het snel terug”, aldus Dekker. “Daardoor zitten we nu met een generatiegat. Godsdienstsociologen van mijn leeftijd zijn bijna allemaal weg en onze opvolgers zijn zo'n twintig jaar jonger.”

De laatste jaren ziet Dekker niet alleen dat het aantal gereformeerden ieder jaar met tien- à twaalfduizend zielen blijft afnemen, maar ook dat er binnen de christelijke wereld in Nederland sprake is van een hergroepering, een soort christelijke herzuiling. “Weliswaar kom je nog veel van die gereformeerde ijveraars, van die harde werkers tegen die op tal van plaatsen aan de touwtjes blijven trekken, maar het wordt minder. Die herzuiling zie je vooral op onderwijsgebied en op het terrein van de media en de dagbladen. Veel christelijke scholen nemen het met hun christelijke identiteit niet zo nauw meer, waardoor er een sterke groei in reformatorische scholen is ontstaan.” Iets soortgelijks is volgens Dekker bij de NCRV aan de hand. Die omroep heeft moeite met haar christelijke achtergrond en neemt daar zo veel afstand van dat een deel van de aanhang vanzelf in de richting van de EO wordt gedreven.

Wat Dekker ook opvalt, is de sterke uitbreiding van het Reformatorisch Dagblad, het blad van de 'bevindelijke gereformeerden' en van het Nederlands Dagblad van de 'vrijgemaakte gereformeerden'. Daartegenover staat volgens hem de moeizame positie van het christelijke blad Trouw dat “zo veel opener en algemener is geworden dat mensen nu weer hun eigen identiteitsgroep dreigen op te zoeken”.

    • Frits Groeneveld