Muziektheater met splinters Stein

Voorstelling: muziektheater van Janssen en Johnson

Gezien 1/11 Korzo Den Haag. Herhalingen: 5/11 De Unie, Rotterdam; 10/11 Intro Maastricht.

Versplinterde teksten, als literair pendant van het kubisme in de beeldende kunst, vormen de inspiratiebron voor een drietal muziektheaterstukken van Guus Janssen en Tom Johnson in de vorm van een hommage aan de Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein (1874-1946). Friso Haverkamp bewerkte in 1988 voor Janssen Steins libretto (een libretto naar een libretto!) Doctor Faustus lights the lights uit 1938. Het was de navolging van de werkwijze die Virgil Thomson eerder toepaste op Steins Four Saints (1927-1934), waarbij eveneens werd uitgegaan van een afgeleide tekst in een keuze uit diverse betekenissen en verwijzingen in Steins hermetisch verplinterend oer-libretto.

Het hier gespeelde Faust's Licht II uit 1994 betreft een verkorte variant van Faust's Licht I in een herschikking van fragmenten voor een kleinere bezetting. Er zijn vier delen: Faust, Hond & Jongetje, Griet & Heleen en Mephisto en zoals de titel suggereert is er een belangrijke rol, zo niet hoofdrol, weggelegd voor het licht. In het begin worden honderd kaarsen aangestoken en aan het eind ziet Faust dat de rode gloed in de verte niets anders is dan het koude hellevuur, te weten het elektrisch kunstlicht, het licht van de eeuwige nacht.

Janssen en Stein moesten elkaar wel vinden, want behalve ondoorgrondelijk, is Stein vooral grappig en precies hetzelfde geldt voor Janssens muziek, die weliswaar ingehouden is, maar toch veel verrassende tegenstellingen kent, zoals hondachtig gebrom, flinterdunne flageoletten en een opgewekt padvinderskoortje, dit alles afgekloven en uitgebeend miniaturesk. Janssen ontleent veel aan de vroege Cage. Zeker Cage-achtig is het ijzige en tegelijkertijd ontroerende slotkoraal op de tekst: 'Alstublieft meneer Adder, denk aan mij.'

Helaas, in Johnsons Shaggy Dog Opera's uit 1978 ontbreken Janssiaanse knipogen en dubbele bodems, noch in de droge Czerny-oefening van Drawers, noch in de kale kwinten-studie van Door. Drawers gaat over een zangeres die een vingerhoed zoekt en Door over vocalisten die te lui zijn om bezoek binnen te laten, ook als er nog zo nadrukkelijk en vasthoudend op de deur wordt geklopt. Ze zingen cadenzen op het woordje 'gaap', waarin vrij versieringen mogen worden aangebracht: de aardigste momenten.

De uitvoerenden weten alles van kloppen en tonen zich met het Mondriaan Kwartet als betrouwbare spil bij Janssen en pianiste Anita van Groningen à Stuling onverstoorbaar in Johnsons minimal music. De overwegend hilarische zang is even terzake als de popart-achtige objecten, waaronder een ingenieuze ladenkast van Paul de Vos.

    • Ernst Vermeulen