'Mooi voetbal zie ik wel op televisie'

Ik herinner me de eerste keer dat ik naar Eindhoven ging nog goed. Het was midden jaren dertig, Eindhoven speelde in de hoogste klasse van het zuiden. De tegenstander was Longa. Ik ging naar die wedstrijd op mijn fietsje. Toen ik bij het stadion kwam, was ik heel verbaasd: je moest entree betalen. Hoeveel weet ik niet meer, maar waarschijnlijk een dubbeltje of zo. Ik had geen geld bij me, maar ik mocht toch naar binnen. Eindhoven won, met 4-2. Prachtig was het.

Sinds die eerste keer ben ik vrijwel altijd geweest. Vooral vroeger was voetbal het enige vermaak in de stad. En het meest besproken. Iets anders was er niet. Ja, je had natuurlijk Philips. Daar voetbalden ze ook. Maar Philips was de club van de fabriek, Eindhoven de club van de stad. En mensen uit de wijk waar ik opgroeide, gingen niet naar Philips, die gingen naar Eindhoven.

Mijn broer heeft in de loop der jaren Eindhoven verruild voor Philips, voor PSV. Hij ziet daar beter voetbal, zegt hij. Betere tegenstanders, denk ik dan. Natuurlijk zou ik Eindhoven graag in de eredivise zien spelen, want ik zie graag mooi voetbal. Zoals bijvoorbeeld Ajax de afgelopen jaren speelde. Dan denk je toch: snotverdorie, wat mooi. Maar ja, dat zie ik dan maar op de televisie, hè.

Eindhoven is een gemoedelijke club. Brabants gezellig. Ik zit al jaren op hetzelfde plekkie op de tribune. Met dezelfde mensen om me heen. Vroeger zat m'n dochter Petra - ze is nu als vrijwilligster betrokken bij de PR van Eindhoven - altijd naast me. Die ging al van jongs af aan mee, altijd met een das in de clubkleuren om. Ik had destijds een familiekaart. Dan konden je kinderen voor bijna niks mee. Behalve mijn dochter nam ik dan alle kinderen uit de buurt mee. Dat wisten ze bij Eindhoven en ze vonden het best. Kijk, dat bedoel ik: gewoon een fijne club.