Grieken en Turken ook in hun parades tegenpolen

ATHENE, 4 NOV. Afgelopen week vierden Griekenland en Turkije weer op twee opeenvolgende dagen hun Nationale Feestdag, op 28 en 29 oktober. Dat gaat in beide landen met een parade gepaard, in respectievelijk Thessaloniki en Ankara, maar het verschil daartussen is aanzienlijk.

Voor de Turken, een soldatenvolk, is het vanzelfsprekend dat zo'n parade iets angstaanjagends moet hebben. Het moet een schouwspel zijn dat de vijand, waar die zich ook bevindt, met ontzag en vrees moet vervullen. En die vijand zit, wat Turkije betreft, ook in het binnenland, dubbel zelfs. De Turkse Koerden die op onafhankelijkheid uit zijn, moeten inzien dat ze tegen deze technische en morele overmacht geen kans hebben, en de islamieten die Atatürks seculiere erfenis bedreigen moeten concluderen dat deze vastberaden belichaming van de moderne staat nooit klein zullen krijgen.

Het aanzienlijk opgekomen publiek kijkt verzaligd naar het schouwspel, maar dit wordt nergens vrolijk, ook niet in de muziek die ten gehore wordt gebracht. De gekostumeerde, historische soldaten die meelopen ('rehber') doen dat in een sluipende drie-passenmaat die ook iets dreigends heeft. En de paarden die worden bereden, hebben de neiging op de menigte in te lopen. Die wijkt dan verrukt terug.

In het nabuurland gaat het anders toe. Je kunt veel zeggen van de Grieken, maar niet dat ze militaristisch zijn. Hun parades - er is er ook nog een in Athene op de andere feestdag, 25 maart - hebben iets gemoedelijks. Natuurlijk wordt ook hier het modernste materiaal meegevoerd om te laten zien hoe weerbaar de strijdkrachten zijn, maar het doel lijkt niet te zijn, angst aan te jagen. De sfeer is eerder feestelijk. Iets roerends hebben ook de scholierenparades een dag tevoren, als de ouders langs de kant hun spruiten begroeten en aansporen.

Chritsos Pasaláris, hoofdredacteur van het rechtse dagblad Eleftheros Typos (Vrije Pers), vindt dat dit maar eens moet veranderen. In een hoofdartikel onder de titel “Als dit parades zijn, schaf ze dan af” schreef hij dat het schouwspel jaar in jaar uit een grotere aanfluiting wordt. “Altijd weer met vijf, zes straaljagers erboven, altijd weer dezelfde plichtplegingen tussen de president van de republiek en de oorlogsinvaliden (..) met de leerlingen die niet in de maat lopen en schaapachtig naar de camera kijken, en met een paar muziekkorpsen die je doen huiveren, zo vals spelen ze!”

De commentator pleit voor nieuwe en frisse marsen, waarvoor destijds compositiewedstrijden moeten worden gehouden, voor het weer invoegen van de ruiterij, voor speciale deelname van een honderdtal Kretenzers - die in 1940 de 'Slag om Kreta' uitvochten - en van de acht Olympische medaillewinnaars die immers allen inmiddels zijn bevorderd tot officier. Het volk moet ook weer leren de vlag buiten te hangen op hoogtijdagen - een ander verschil met Turkije, waar dit bijkans is verplicht - en de officieren moeten weer in vol ornaat op straat verschijnen “zonder angst voor jongens met baardjes die hen honen”.

Het artikel neemt vervolgens een politieke wending. Wat kunnen we verwachten van een regering die rondom het rotseilandje Imia, maar ook in de Macedonische en Cyprische kwesties in het zand beet? En die de parlementsverkiezingen van 22 september won door de tegenstander Miltiades Evert - pleitbezorger van grotere weerstand - voor te stellen als een chauvinist en primitieve vlaggenzwaaier? Om dan te culmineren in verzuchtingen over “het miljoen buitenlanders” - in werkelijkheid zijn het er 400.000 - “de verkeersonveiligheid en de drugs”.

Overigens wordt op 28 oktober, Nee-Dag, herdacht dat Griekenland in 1940 Mussolini de toegang tot het land weigerde, waarna de Grieken, hoe onmilitaristisch ook, de invallers tot ver in Albanië terugdreven. Omdat we gemotiveerd waren, zeggen ze nog steeds naar waarheid. Het Turkse soldatenvolk stortte zich pas enkele dagen voor het einde in de Tweede Wereldoorlog.

    • F.G. van Hasselt