Een moderne tragedie van de hybris

'Allemaal show', mopperde de Amerikaan naast me. Hij kon zijn ergernis over het kokette optreden van René Diekstra niet voor zich houden. We waren in de grote congreszaal naast elkaar terechtgekomen als deelnemers aan het Vijfde Europese Symposium over Suïcide van september 1994 in Cork.

Op het podium vertelde Diekstra omstandig het trieste verhaal van de zelfdoding van een jong meisje en de ontwrichting van de familie, waarbij zijn eigen glansrol niet onderbelicht bleef. De reactie van de Amerikaanse hoogleraar deed me voor het eerst beseffen dat Diekstra onder zijn collega's omstreden was. Niet alleen de gebruikelijke beroepsnijd is daaraan debet, maar vooral het gemak waarmee hij mensen voor zich weet in te nemen: er zijn niet veel professoren in de psychologie die een breed publiek weten te bereiken via zelfhulpboeken, krantenkolommen en de televisie. Nu de held van zijn voetstuk valt, wordt het leedvermaak ongetwijfeld gevoed door ordinaire kinnesinne.

Enkele commentatoren hebben gepoogd het omvangrijke plagiaat waaraan Diekstra zich heeft bezondigd, goed te praten: “Och, het gaat alleen maar om praktische boekjes met psychologische tips waarvan er dertien in een dozijn gaan. Je vraagt Lieve Lita toch ook niet hoe zij aan haar wijsheid is gekomen?” Na de laatste ontmaskering is het echter onmogelijk nog een enkel goed woord over te hebben voor Diekstra's praktijken. In een nieuw staaltje van fraaie journalistiek onthulde Vrij Nederland van 12 oktober dat Je verdriet voorbij. Een gids voor jongeren over zelfmoord (1991) een vertaling is van het manuscript voor A Teenage Guide for Suicide, dat een Amerikaanse psycholoog Diekstra in goed vertrouwen ter hand stelde. De auteur, Gary McEnery, stuurde het toe met het verzoek een aanbeveling te schrijven zodat uitgevers wat minder schichtig zouden zijn. Maar Diekstra publiceerde het bij Bruna als een eigen boek. Toen het bedrog uitkwam, wist de Leidse zielkundige het schandaal in te dammen door zijn charme, het voorwenden van reeksen misverstanden en door een persoonlijke geldgave. Het zijn dezelfde tactieken die Diekstra vergeefs toepaste, toen onlangs de geestelijke diefstal bij de produktie van Als leven pijn doet en De onderste steen boven uitkwam.

Het is niet moeilijk een steen toe te voegen aan de vele die al geworpen zijn. Ik heb zelfs persoonlijke redenen om boos te zijn: al meer dan vier jaar ligt bij Diekstra mijn tekst Patterns of Suicide in the Classical World. Een jaar geleden is mij - na navraag - in een uiterst vriendelijk briefje nog eens verzekerd dat het stuk binnenkort zal verschijnen. Het cynische grapje laat zich niet onderdrukken: ik moet toch eens kijken of Diekstra niet ook over zelfdoding in de antieke wereld heeft gepubliceerd...

Maar mijn reactie is er niet een van wrok, maar van deernis. Hoe is het als je wereld zo in elkaar stort? Wat voor mens is Diekstra dat hij het zover heeft laten komen? Deze lekenpsycholoog heeft uit persoonlijke ontmoetingen en uit vraaggesprekken in NRC Handelsblad en Vrij Nederland begrepen wat Diekstra's probleem is: hij is zo aardig en wil zo graag aardig gevonden worden. Met volle teugen heeft hij genoten van de sympathie die hij opwekt. Als een Godfried Bomans in de populaire psychologie kon Diekstra geen nee zeggen. Alles wat hij aanraakte werd goud. De bewondering die zijn eerste - eigen - publicaties oogstten moest gevoed worden door nieuwe titels. Hij moest aan zoveel verwachtingen en beloftes voldoen dat hij zich onder tijdsdruk bediende van bedenkelijke middelen. De uitgever bleef zeuren om de tekst die plechtig was toegezegd. Diep in de nacht is de verleiding groot om er zich met een Jantje van Leiden af te maken: welke veelschrijver herkent niet de situatie? Het overschrijven van enkele pagina's bleek niet uit te komen. De ene keer, bij Je verdriet voorbij, toen wel een schandaal dreigde, wist Diekstra als een echte duivelskunstenaar het gevaar te bezweren. Die ervaring moet hem driest hebben gemaakt. Natuurlijk suste hij zijn geweten met de overweging dat hij zoveel mensen hielp; misschien redde hij wel mensenlevens. Als een koorddanser kreeg hij er plezier in over het ravijn te lopen. Hij begon te lijden aan wat de oude Grieken hybris noemen: je maat niet kennen, de goden tarten door buitensporig veel zelfvertrouwen. Maar overmoed komt in de antieke verhalen altijd voor de val. Het geval-Diekstra is een moderne tragedie van de hybris.

Wat nu? Het zou Diekstra sieren als hij onomwonden schuld bekende in plaats van een uitzichtloze strijd aan te gaan. Charles Schwietert, die een blauwe maandag staatssecretaris was voordat ontdekt werd dat hij zich ten onrechte doctorandus noemde, heeft zijn eigen afgang productief gemaakt. Hij heeft de doctorstitel verworven - weliswaar bij een obscure Amerikaanse universiteit - op een proefschrift over het omgaan met onthullingen. Zijn advies is: “Maak meteen schoon schip. Beken alles en nog meer.”

De 'Red Diekstra'-actie van Leidse studenten is wel sympathiek, maar zij is misplaatst. Diekstra moet zichzelf redden. Hij moet gewoon het boetekleed aantrekken. Vroeger waren kloosters de oorden om bij te komen van de doodzonde. Diekstra moet zich terugtrekken in een nis die hem passende ruimte biedt aan zijn onmiskenbare kwaliteiten. Hij zal er triester, maar wijzer uitkomen. Alleen zo kan hij bewijzen dat hij meer is dan de belichaming van het aardig zijn.