Die cigani hebben veel geld, jonge

Dat ik het kleine zigeunermeisje een Duitse mark geef, vindt de kleine Dijana, acht jaar, maar niks. “Waarom geef jij haar geld? Je moet haar geen geld geven, jonge!”

De Bosnische Dijana is viereneenhalfjaar geleden met haar ouders naar Nederland gevlucht en was deze zomer voor het eerst weer in haar geboortestad Zenica. Zij spreekt inmiddels vloeiend Nederlands - in dat slepende 'jonge' hoor ik zelfs duidelijk het Surinaams accent dat zij van haar klasgenootjes of van haar meester van de basisschool in de Bijlmer moet hebben. Tegelijkertijd bijt ze het zigeunermeisje in het Servokroatisch toe dat ze moet maken dat ze wegkomt: Haide, bjezi!

Ik schat dat het zigeunermeisje zo'n twee jaar ouder dan Dijana is; ze zijn even groot maar haar gezichtje is ouwelijker dan dat van Dijana. De overige verschillen tussen de twee meisjes springen in het oog. Dijana is een weldoorvoed, blakend gezond kind, in relatief dure, schone, felgekleurde kleren, het zigeunermeisje een scharminkel met holle ogen en een paar vuile vodden aan het lijf. Waren de ouders van Dijana niet gevlucht, dan had zij nu meer op het zigeunermeisje dan op zichzelf geleken.

'Haide, bjezi!' zegt Dijana nog eens, als ze merkt dat het zigeunermeisje zich niets van haar aantrekt en mij nu met gestrekte arm en vragende blik om méér geld vraagt. “Je moet niet meer geven”, wendt Dijana zich dan weer tot mij, “die cigani hebben heel veel geld, je moet ze niets geven.”

Terwijl ik Dijana, kind dat ze nog is, kind dat mijn aandacht en mijn geld niet met vreemde kinderen wil delen, wel begrijp, voel ik mezelf toch ook boos op haar woorden. Maar hoe een kind uit te leggen dat zigeuners, die hier misschien nog meer dan elders gediscrimineerd en zorgvuldig aan de rand van de maatschappij gehouden worden, die het tijdens een oorlog waar zij part noch deel aan hadden nog eens honderd keer zo moeilijk hebben gehad, dat die je niet eens kunnen belazeren? “Waarom bedelt ze dan?” vraag ik Dijana, “als jij zoveel geld had, zou je toch niet meer gaan bedelen?”

Maar daar weet Dijana wel een antwoord op. “Zij willen alleen maar meer geld jonge, je moet die cigani niets geven.”

“Wat doen ze dan met al dat geld?”

“Ze hebben hele mooie huizen hoor. En hun vader is altijd dronken.”

De nog zo jonge Dijana, die bovendien al haar hele leven in Nederland woont, kan maar op één manier weten hoe 't er bij zigeuners aan toe gaat: dat heeft ze thuis gehoord. Hoe jong ze ook nog is, ze blijkt het hele rijtje clichés paraat te hebben: kinderen die zich niet wassen en vlooien hebben, die de straat op gestuurd worden om te bedelen, vader die niet wil werken, die het geld 's-avonds afpakt en daar drank voor koopt. Ongetwijfeld is een en ander ook wel eens waar.

“Dan lijkt het me nog niet leuk”, zeg ik, “om dat meisje te zijn. Zou jij het leuk vinden om van je vader de hele dag te moeten bedelen, in die vieze kleren?”

Maar voor Dijana, begrijp ik, draait de discussie niet om het welzijn der zigeuners. Bij haar gaat het nog altijd om de Duitse Mark die het meisje gekregen heeft en zij niet - dat wil zeggen, zij krijgt genoeg Duitse marken, maar die ene heeft zij niet gekregen. Dat gevoel van tekortgedaan te zijn, door mij, maakt haar onvermurwbaar, jegens mij. Pruilend zegt ze, de blik neergeslagen: “Moet ze maar geen ciganka zijn, met zo'n stomme vader.”

Wanneer we een paar dagen later, Dijana, haar moeder en ik, ergens cevap zitten te eten, zien we hetzelfde meisje terug. Zwijgend komt ze aan ons tafeltje staan, de linkerarm uitgestoken, haar grote bruine ogen strak op mij gericht - ze zal weten dat het bij landgenoten moeilijker bedelen is dan bij buitenlanders. “Haide bjezi”, zegt Ljubica, de moeder van Dijana, maar dat is het meisje wel gewend. “Kees heeft haar geld gegeven”, zegt Dijana in het Servokroatisch tegen haar moeder.

Een dergelijk soort naïviteit vindt Ljubica typisch iets voor mij en, tegelijk lachend en hoofdschuddend zegt ze: “Daar heb je niets aan, dat pakt haar vader toch af, dat zijn allemaal dronkaards. Als je haar wilt helpen kun je beter cevap voor haar kopen.”

Dat is een goed idee en ik bestel een paar porties van de Bosnische kebab voor haar. Het meisje blijft geduldig wachten. Ze krijgt de porties uiteindelijk van de serveerster in een plastic tasje overhandigd. Zonder ervoor te bedanken loopt ze met het tasje weg, en, wat me nog het meest verbaast, want we zien haar de hele straat uitlopen, zonder er iets uit te nemen. Tegen Ljubica zeg ik dat ik gedacht had dat ze wel snel zou gaan eten, ze zag er tenslotte nogal hongerig uit.

Ljubica begint weer te lachen. “Waarschijnlijk verkoopt ze die cevap gewoon weer. Haar vader slaat haar als ze niet met geld thuiskomt.”

Dijana die het allemaal aanhoort, is onze discussie nog niet vergeten: “Ik zei toch, je moet ze niets geven. Maar jij bent zo eigenwijs jonge.”

    • Kees Beekmans