Bukavu: geplunderd en verlaten

BUKAVU, 4 NOV. De ruitenwissers van de gestrande auto van de Verenigde Naties zwaaien nog driftig heen en weer. Verlaten staat de wagen in het midden van de grote winkelstraat in het centrum van Bukavu, een stad waar tot voor kort 150.000 mensen woonden. Midden vorige week veroverden de Zaïrese rebellen Bukavu.

Talrijke winkels zijn opengebroken. Verspreid over de straten liggen schoenen, kleren en opengeslagen koffers bij auto's met lekke banden en ingeslagen ruiten. Hier hebben de Zaïrese soldaten geplunderd. Eenzaam in een zijstraat ligt een brancard. Iets verderop het lichaam van een teenager.

Begeleid door lichtelijk nerveuze, jonge soldaten van het rebellenleger waag ik me in de goeddeels verlaten stad. Bij iedere hoek gaan ze op hun hurken en richten schichtig hun geweren in alle richtingen. “Je weet maar nooit of er nog sluipschutters zijn”, verklaart commandant Nicolas Ruheka het gedrag van zijn manschappen. Als we de woning betreden van Jean Kambanda, premier tijdens de genocide in 1994 in Rwanda, gaat een jongen met een pistool in de aanslag ons voor. “Je weet maar nooit of ze een valstrik voor ons hebben geplaatst”, zegt Ruheka. In de woning van de voor oorlogsmisdaden gezochte Kambanda treffen we militaire uniformen aan.

Bij twee gebouwen van het verdreven Zaïrese leger moeten we achter elkaar lopen in een rij. De rebellen vermoeden dat zich landmijnen bevinden rond de gebouwen. Grote stapels geweren, kogels en landmijnen tussen oud brood en paperassen maken lopen in de gebouwen vrijwel onmogelijk. Er zijn alle tekenen dat de regeringssoldaten in paniek zijn vertrokken. “De meeste tegenstand ondervonden we van de Interahamwe en van de ex-Rwandese regeringssoldaten”, vertelt Ruheka. In de tuin staat splinternieuw geschut voor het afvuren van mortiergranaten. Op een weggetje aan de rand van de stad vreet een hond aan de voet van een opgezwollen lijk. “We vonden vele lichamen in de stad, maar ik kan niet vaststellen wie ze hebben gedood”, zegt commandant Ruheka. “Wel stelden we vast dat velen werden vermoord met kapmessen.” Deze slagwapens zijn een waarmerk van de in 1994 naar Oost-Zaïre gevluchte leden van de extremistische Rwandese Hutu-militie Interahamwe. Talrijke ooggetuigen in door de opstandelingen veroverde gebieden vertellen over het verbond dat de Zaïrese regeringssoldaten sloten met de in 1994 gevluchte Rwandezen. Bij een grote kerk zit in de koelte van een forse regenbui een groepje bibberende Tutsi's. “We werden twee weken geleden door de Zaïrese soldaten gearresteerd”, begint de oude vrouw Lina. Vlak voor de komst van de rebellen begonnen ze de gevangenen te doden. “Mijn broer werd vermoord”, roept een jongen. “Ze doodden mijn vader. Ze hadden het vooral op de mannen gemunt”, roept een ander. Twee weken geleden bestond deze groep Tutsi's uit 34 mensen, nu resten er nog veertien. Hun huizen werden vernietigd. Niemand is er om hen te helpen: hulpverleners zijn gevlucht, hun kantoren geplunderd. De 72-jarige Deo Grariyazi ligt kreunend op de grond. Ook hij is een Tutsi. Hij kan zich nauwelijks meer omdraaien. Overal op zijn lichaam werd hij geslagen door de Zaïrese regeringssoldaten. “Ze hebben mijn vrouw en dochters verkracht”, murmelt hij. Het praten doet hem pijn en hij zwijgt. “Ik heb het koud”, zucht hij alleen nog. Commandant Ruheka maakt haast. De strijd is kennelijk nog niet gestreden.

Hij moet zijn mannen gaan aanvoeren buiten de stad. Ruheka spreekt niet de Rwandese taal Kiryarwanda, alleen Kiswahili en lokale Zaïrese talen. Hij zegt te zijn geboren in de Zaïrese stad Uvira. In tegenstelling tot in het zuidelijker gelegen Uvira, tref ik in Bukavu soldaten van zuiver Zaïrese afkomst aan. Er zijn hier geen aanwijzingen meer van directe betrokkenheid aan de zijde van de rebellen door Rwandese regeringssoldaten. Dat Rwanda een stevige hand heeft in de Zaïrese rebellie is echter overduidelijk. Het Rwandese leger helpt bijvoorbeeld met de communicatie tussen de verscheidene verspreid opererende eenheden van de rebellen. Contact met de opstandelingen om Bukavu te bezoeken, werd voor mij gelegd door middel van een hoge Rwandese militair in het grensstadje Cyangugu. Terug aan de Rwandese zijde van de grens zegt een regeringssoldaat: “Hoe is het nu in Bukavu? Daar was ik vorige week ook tijdens de verovering van de stad.”

    • Koert Lindijer