Artikel rechtmatig, toch een rectificatie

ROTTERDAM, 4 NOV. Het kort geding van de Belgische drugsliaison-officier H. Luyten tegen NRC Handelsblad is onbeslist geëindigd. Beide partijen zijn gedeeltelijk in het ongelijk gesteld, aldus de Rotterdamse rechtbankpresident J. Mendlik in het vonnis.

De president acht het artikel als geheel niet onrechtmatig. Maar de krant heeft toch een fout gemaakt door een ambtsbericht van Luyten onjuist te interpreteren en moet dat op de eigen voorpagina rectificeren. De eis tot rectificatie in Belgische kranten werd verworpen.

Het artikel 'Het einde van een informant' (Zaterdags Bijvoegsel 28 september) berustte op informatie waarvan de bron de lezer niet kon worden onthuld. De krant heeft volgens de president op de zitting aannemelijk gemaakt dat het om betrouwbare informatie gaat. Ook is de krant zorgvuldig geweest bij het kwalificeren van de weergegeven feiten.

De pers moet wel oppassen daarbij “niet nodeloos deformerend of kwetsend te zijn”, aldus het vonnis. Daarvan was bij dit artikel geen sprake geweest. De president meent dat de auteurs van het stuk ook voldoende moeite hebben gedaan om Luyten wederhoor te bieden. De krant heeft echter wel onrechtmatig gehandeld door ergens in het artikel te suggereren dat een tip van Luyten bedoeld is geweest om het criminele milieu vrij spel te geven bij de invoer van drugs in Nederland.

De Belgische drugsofficier schreef in een ambtsbericht aan de Nederlandse politie dat de Haarlemse rechercheur Klaas Langendoen geliquideerd dreigde te worden. De krant heeft de Belgische politieman “onterecht in een kwaad daglicht gesteld” door te suggereren dat Luyten zo de Nederlandse politie wilde misleiden, aldus de president. Volgens het vonnis heeft de krant “een eigen aanvulling” gegeven op het ambtsbericht van Luyten.

Het artikel behandelde de moord op de politie-informant Martin Swennen, die op het punt stond te onthullen hoe hoge Belgische justitiële autoriteiten Nederlandse groothandelaren in hasj plegen te helpen. Het belang van het artikel was gelegen in de IRT-affaire: de uit de hand gelopen praktijk van het doorlaten van drugs met medeweten van de politie. Ook in België zou deze praktijk bestaan, waarbij gebruik werd gemaakt van een corrupte rijkswachter, een zekere W. van Mechelen, die weer connecties onderhield met H. Luyten, gedetacheerd op de Belgische ambassade in Den Haag.

In het artikel werd onder meer beschreven hoe Luyten voor 35.000 gulden op verzoek van Van Mechelen een opsporingsbevel tegen Swennen in Nederland zou hebben verdonkeremaand. Deze informatie was ontleend aan een verklaring van Swennen en bevestigd door diverse politie- en justitiebronnen. De Centrale recherche Informatiedienst (CRI) erkende dat het arrestatiebevel tegen Swennen een half jaar zoek is geweest. De Amsterdamse hoofdofficier Vrakking verklaarde “het feitencomplex zeer serieus” te nemen. Het Antwerpse en het Amsterdamse parket werken sinds dit voorjaar samen aan een onderzoek naar onder meer deze verdenkingen. Van Mechelen bevindt zich in België in voorlopige hechtenis.

In dat verband werd het 'tippen' van de Nederlandse politie door Luyten omschreven als “intrigerend”. De bron van die tip was namelijk Van Mechelen. In het artikel werd geconstateerd dat het ambtsbericht van Luyten ervoor zorgde dat de Haarlemse politie geruime tijd de drugsimport ongemoeid liet, dit om de bedreigde politieman zoveel mogelijk te beschermen. “Dat Langendoen werkelijk gevaar heeft gelopen, is tot op de dag van vandaag niet gebleken”, zo concludeerde de krant. De kortgeding rechter vond dat de krant met deze passage een interpretatie gaf aan de rol van Luyten die niet door de tekst van zijn ambtsbericht kon worden gedragen. “Daarin ontbreekt iedere koppeling tussen de gemelde dreiging ten aanzien van Langendoen en doorlevering van drugs”.

Over het artikel als geheel vermeldt de president dat daarin veel meer wordt behandeld dan alleen Luyten. In het stuk staat centraal “de vraag of het openbare gezag in de bestrijding van de misdaad niet methoden aanwendt waardoor zij met de misdaad verweven raakt. Gelet op de ontwikkelingen in Nederland en in België met betrekking tot dit onderwerp, is het begrijpelijk en terecht dat de pers deze kritisch volgt”. Daarom dient de rechter volgens de president “in dit soort zaken” uiterste terughoudendheid te betrachten.

De weigering van de hoofdredactie om de anonieme bronnen aan Luyten en zijn advocaat bekend te maken “kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat de beschuldiging die door Swennen zijn geuit over eiser voor rekening van gedaagden dienen te komen. Dit te meer niet nu gedaagden ter zitting wel aannemelijk hebben gemaakt waarom zij af konden gaan op de betrouwbaarheid van de vrijgegeven informatie”.