Waarom Shadi niet meer in Hamas gelooft; Mislukt als martelaar

Wat brengt een jonge Palestijn ertoe voor de terreurorganisatie Hamas te werken? Shadi Manasrah verspreidde 's nachts pamfletten, gooide stenen en hing alvast een kalender boven zijn bed met alle zelfmoordenaars die zich opbliezen in opdracht van Hamas - een carrière als terrorist leek vanzelfsprekend. Tot zijn vader hem betrapte en Shadi spijkerbroeken ging dragen. Portret van een tobbende 'verrader'.

In Hebron hebben de Palestijnen een 11 op hun voorhoofd.” Shadi duwt de klep van zijn Lenin-pet omhoog en trekt een bezorgd gezicht. Tussen zijn wenkbrauwen verschijnen twee verticale rimpels. De 11. Met zijn wijsvinger voelt hij of die 11 er echt zit. Omdat hij net spinazie aan het eten is, zit er nu spinazie op zijn voorhoofd. Zijn jongste broertjes en zusjes springen schaterend op zijn nek om de groene sliert eraf te vegen. Shadi laat ze begaan, maar maar gaat onverstoorbaar verder: “De Hebronieten hebben vooral een 11 over geld. Al hebben ze genoeg, ze willen nog meer. Daarom steunden zoveel mensen Hamas. En daarom lopen ze nu weer bij Hamas weg.”

Shadi is een diep-religieuze, lange boom van twintig die Engels studeert aan de universiteit van Hebron. Van alle Palestijnse steden had Hebron altijd de meeste Hamas-aanhangers, in de hoogtijdagen meer dan dertig procent. Niemand hoeft Shadi iets over Hamas te vertellen, want hij was een van hen. Op z'n veertiende al sloop hij 's nachts het huis uit om, met andere pubers, Hamas-graffiti op de muren te spuiten of pamfletten onder de deuren van de dorpelingen door te schuiven. Die pamfletten werden clandestien in Hebron gedrukt. Shadi moest ze verspreiden in zijn dorp Bani Na'im, een paar kilometer naar het zuidoosten, in de bergen. Soms gooide hij stenen naar Israelische kolonisten en soldaten. Hij bedekte zijn hoofd met een keffiyeh, de geblokte 'Arafat-sjaal', en verstopte zijn ogen achter een donkere zonnebril. De Israeli's mochten hem niet herkennen, anders kon de politie de volgende dag op de stoep staan.

Die 'missies' gaven hem een kick. Als je uit een gezin met acht kinderen komt, zegt hij, heeft niemand genoeg aandacht voor je. Net als je moeder tijd heeft, begint je zusje van drie te krijsen of moet de baby een schone luier om. Niemand die naar je luistert, terwijl je net op die leeftijd allerlei serieuze gedachten begint te ontwikkelen. Dan, ineens, zijn er volwassen mannen die een discussie met je beginnen. Ze benaderen je in de moskee. Later arrangeren ze, discreet, ontmoetingen op een bergtop. Urenlang bomen ze met je, over de roemrijke geschiedenis van de Arabieren, over de fouten van het kapitalisme en het communisme. En over het enige juiste pad, dat van de islam - de waarheid van Allah, aangepast aan de moderne tijd. Ineens voel je je volwassen. Uitverkoren, bijna. En als je dan besluit om hen te steunen, om er 's nachts op uit te gaan om de boodschap van Allah te verspreiden en aan de islamitische revolutie te werken, dan krijg je er nog geld voor ook.

“Als mijn vader me niet in de kraag had gevat”, zegt Shadi, “had ik carrière gemaakt bij Hamas. Dan was ik nu een zelfmoordenaar geweest. Een martelaar, een shahid.” Zijn moeder zegt: “De martelaars van Hamas zijn stabiele mannen, Shadi, geen twijfelaars zoals jij.”

Shahid!” roept Ibrahim, Shadi's broertje van zeven. Hij danst door de kleine vierkante woonkamer en maakt schietgebaren. Zijn broers en zussen lachen vertederd. Ze zitten op matrassen op de grond, in een kring. In het midden staan, op een stuk oranje zeil, een straalkacheltje en een dampende schaal met spinazie en rijst. Iedereen scheurt lapjes van een plat brood af, en pakt daarmee het eten uit de schaal. Het is drie uur, maar de TL-buis brandt al. “Ibrahim”, vraagt Shadi met een knipoog, “wat vind je van de joden?” “Ik haat ze! Ze vermoorden Palestijnen.” Dan roept zijn moeder hem bij zich. Ibrahim vlijt zich tegen het fluweel van haar paarse nachtpon. Zij heeft de letters van het Arabische alfabet voor hem opgeschreven. Ze wijst ze aan met haar vinger. Hij moet zeggen wat het voor letter is. Ze verbetert hem streng.

Shadi's moeder is een vrome vrouw. Ze laat haar dochters niet zonder hoofddoek de deur uitgaan. Maar zij en haar man, die in een granietgroeve werkt, moeten niets van radicale islamitische partijen hebben. Ze vinden het oproerkraaiers, idioten, die met hun aanslagen en strenge gedragsregels het gewone, traditionele leven van de Palestijnen verstoren. “De ironie wil”, zegt Shadi, dat ze mij wèl hebben opgevoed als een ideale Hamas-aanhanger.”

Toen hij klein was, zei zijn moeder altijd tegen hem wat de engel Jibril (Gabriël) zei toen hij voor het eerst aan de Profeet Mohammed verscheen: “Lees, lees, lees!” Ze kocht of leende boekjes voor Shadi. Overhoorde hem, net zoals nu Ibrahim. Als hij een tien haalde met dictee, gaf ze hem geld of een stukje cake. Toen al las Shadi alles wat hij te pakken kon krijgen. Die honger naar kennis heeft hij nog, op het nerveuze af. Shadi doet de eerste betekenis van zijn naam, “de leergierige”, eer aan. De tweede, “vogelzang”, tot zijn spijt minder. Hij leest Freud, Confucius, bijsluiters van geïmporteerde neusdruppels, de historicus Ibn Khaldun en zelfs Internet-handleidingen, die hij niet in de praktijk kan brengen omdat hij geen computer heeft.

De Israeliërs hebben in maart de universiteit in Hebron gesloten. 1500 studenten hebben nu college in een appartementengebouw. Dat hij daar examens moet doen in een keukentje of een badkamer, vindt Shadi niet zo erg. Wat hij meer betreurt, is dat de universiteitsbibliotheek ook dicht is. Er zijn geen boekwinkels in Hebron. Daarom schuimt hij 's middags de stalletjes in de stad af. Soms ligt daar ineens een woordenboek tussen de theelepels en kopjes. Of de evolutietheorie van Darwin in het Arabisch. Dan is zijn dag goed, en leest hij tot diep in de nacht. Maar hoe meer je leest, zegt Shadi, hoe meer vragen je hebt. En hoe meer je beseft dat je nog meer moet lezen om die te beantwoorden. Het is vermoeiend. En eenzaam.

Shadi vertelt op zijn hurken, met een geweldige spanning in zijn lijf. In een halve dag rookt hij een pakje Imperial. Plotseling vraagt hij: “Wat betekent j'attendrai? Het is Frans, ik hoorde het op radio-Beiroet.” Hij schrijft het antwoord in een schrift, onder het gedicht dat hij vannacht heeft gemaakt toen hij niet kon slapen. Het is een romantisch vers, over woestijnen, herfstbladeren en de ogen van de geliefde. Zijn eigen warrige Arcadië, zonder enige toespeling op de Palestijnse zaak of de bezetting. Zijn ogen schitteren als hij voorleest. “Ik gebruik geen metaforen”, zegt hij. “Geen als of alsof, zoals andere dichters doen. Ik schep een totaal nieuwe wereld.”

Shadi groeide op in een heleboel huizen. Zijn familie, de Manasrahs, zijn de grootste familie van Bani Na'im. Waar je ook kijkt, alle huizen zijn van ooms of neven. Hoger op de berg woont zijn oma, in een oude ruwstenen kamer waar vroeger de beesten ook sliepen. Maar Shadi was het liefst bij zijn andere oma. Zij was religieus, en leerde hem alles over de Koran. Ze nam hem mee naar de Al-Aqsa-moskee in Jeruzalem en kon prachtig vertellen over het leven van de Profeet. Toen hij tien was, stierf ze. Hij was er kapot van. Hij kwam net in de fase dat hij zich bij alles ging afvragen: 'Waarom?' Dat vroeg hij altijd aan haar. Dan antwoordde ze: “Omdat Allah het wil.” Het gaf hem houvast.

Na haar dood hoorde Shadi dat de Amerikanen mensen naar de maan stuurden. Waarom?, dacht hij. Hoe kon het dat de Arabieren in de Middeleeuwen de beste wetenschappers hadden, en de meeste kennis, en dat Westerlingen hen daarin nu verslaan? Zijn oma zou geantwoord hebben: “Omdat de Profeet voorspelde dat wij na een bloeiperiode een neergang zullen beleven. Dat staat in de Koran.” Alles bevestigde haar dat de Koran de enige waarheid op aarde was. Het gaf haar rust. Verder stelde ze geen vragen - daar had ze geen tijd voor. Zij had twaalf kinderen, moest koken, het huis schoonmaken en de hele dag op het land werken.

“Ik heb tijd om na te denken”, zegt Shadi. “Mijn vader heeft geld.” Hogere doelen nastreven, heeft hij bedacht, is een luxe. Werd de Moslimbroederschap in Egypte in de jaren twintig niet opgericht door zonen van families die het goed hadden? Bestaat de harde kern van Hamas niet ook uit middenklassers met een redelijk goede opleiding? Shadi hoort ze nog zeggen, in die eindeloze rendez-vous op de berg: “De communisten, jongen, streven naar een staat van arbeiders. Maar Palestijnen zijn geen arbeiders! Deze generatie gaat naar de universiteit, jullie worden dokters, ingenieurs!”

“Naarmate we meer opleiding kregen”, zegt Shadi, “keerden we ons van de linkse partijen af, en sloten we ons bij Hamas aan.” Hij wil net verder vertellen over hoe zijn vader hem betrapte, toen hij op een nacht het huis uit wilde glippen om 'Islam is de Oplossing' op winkeldeuren in Bani Na'im te spuiten. Maar dan komt z'n vader binnen. Een magere man met een stoffige haardos en een bult op zijn tandvlees. Hij schuift het geplastificeerde kanten kleed voor de televisie opzij, het enige meubel in de kamer, en zet hem aan. Er is nieuws op het TV Jordan: De onderhandelingen met Israel over Hebron zijn nog altijd niet afgerond. Hebron - maar niemand kijkt. De broertjes slapen, opgerold op de matrassen. Vader Manasrah zegt: “Die smerige koeiekop.” “Koeiekop?” vraagt Shadi, die zijn sigaret gauw heeft uitgemaakt. Hij rookt nooit waar zijn vader bij is. Uit respect.

De buurman, Shadi's oom, had vorige week een koe geslacht. Hij had het lijf ingevroren. De kop had hij in de achterbak van zijn auto gelegd, om thuis te koken. Vandaag gingen Shadi's vader en de oom in die auto naar de andere kant van het dorp - er waren verkiezingen voor het bestuur van de gehandicaptenhulp. Ze wilden stemmen om te voorkomen dat Hamas voor het zoveelste jaar zou winnen. Shadi's vader ging op de stank af, opende de achterklep en vond de rottende delicatesse. “Maar Hamas heeft verloren. Voor het eerst! Al-Hamdu l'Illaah, goddank.”

Veel Palestijnen, legt Shadi uit, keren Hamas nu de rug toe vanwege de aanslagen in Israel. Israel sloot de Westoever af, en zij verloren hun baan. Hun portemonnee, zegt hij, is belangrijker dan de ideologie. Ook kent hij velen die Hamas niet meer durven steunen. Als de Palestijnse autoriteiten Hebron overnemen, zal er met hen hetzelfde gebeuren als met de Hamas-aanhangers in Gaza en Ramallah en Nablus: ze verdwijnen in de gevangenis. In de dorpen rond Hebron, zegt Shadi, zijn alleen de die-hards nog over. Allemaal met grijs haar, hooguit tweehonderd. Omdat de donaties ook teruglopen, kan Hamas steeds minder studenten op een beurs naar het westen sturen. Stemmen kopen bij verkiezingen, een normaal verschijnsel hier, wordt ook moeilijker voor Hamas. Bij de verkiezingen in Bani Na'im vanavond, betaalde Arafats Fateh zelfs meer, weet Shadi. De moskee is door de week leger dan ooit.

Toen Shadi er 's nachts nog op uitging voor Hamas, voetbalde hij op het veld achter de moskee. Ze noemden hem de Maradona van Bani Na'im. Een club uit een naburig dorp bood hem 60 Jordaanse dinars per maand (130 gulden) als hij voor hen wilde spelen - een fortuin voor een veertienjarige. Het clubbestuur was in handen van Hamas. Vlak voor de transfer sloop hij op een nacht het huis uit. Toen hoorde hij: “Wie is daar?” Het licht floepte aan. Zijn vader kon niet slapen, en was in het donker op de veranda gaan zitten. Shadi deed zijn bril en keffiyeh af en zei: “Ik ben uw zoon.” Zijn vader vroeg: “Waarom doe je dit?” “Voor Hamas, vader.” Hij herhaalde wat de mannen van Hamas, de mannen die hem houvast gaven, hem hadden verteld. Over de rijke islamitische historie die ze zouden laten herleven. Over het failliet van het communisme, dat enkel een revolutie wilde voor goddeloze arbeiders en niet voor vrome goed-opgeleide mensen. En over het kapitalisme, ook een Westers bedenksel dat mensen als nummers zag. Zijn vader zei: “Ik spreek je morgen.”

De volgende dag vertelde hij Shadi over oom Adel. Die was guerrilla geweest bij Fateh, de partij van Arafat. Oom Adel was in de Israelische gevangenis beland, en later naar Panama verbannen. Door die toestanden had hij nooit kunnen studeren. Nu had hij spijt als haren op zijn hoofd. Adel was Shadi's favoriete oom. Toen Shadi een broertje kreeg, had hij net zolang gedramd tot zijn vader het kind Adel noemde. “Ik werk hard, zoon, om jouw opleiding te betalen”, zei z'n vader tot besluit. “Als je studie af is, doe je maar wat je wilt.”

Daarna ging het slecht met Shadi. Hij stopte met voetballen, en begroef zich in de boeken. De adrenaline vond haar weg in steeds meer jeugdpuistjes. Zijn klasgenoten zagen hem als een zwakkeling, omdat hij z'n vader volgde en niet de sjeikh van Hamas. “Dus jij verraadt de islam?” hoonden ze. Nee, zei Shadi dan: “Ik dien de islam door te studeren.” Maar als hij zijn naam in het Engels schreef, spelde hij 'Shady'. Schaduwrijk. Hij wilde niet zo worden als zijn vader, een zwoeger zonder politieke idealen. Ook zijn oom Salah was geen voorbeeld. Salah is een pocher die illegaal gestookte Drakkar Noir en Chanel-parfums uit Hebron aan Israelische winkelketens verkoopt, en luidruchtig linkse parlementariërs uit Israel gaat opbellen als hij indruk wil maken. Allah had Shadi toch niet op de wereld gezet om te eten, te slapen en ten slotte dood te gaan? Nee, Shadi had een missie: de ontaarde maatschappij gezond maken. Hij hing een kalender in zijn kamer met alle martelaars van Hamas erop. De mannen poseerden met machinegeweren, vlak voor ze zichzelf in Israel zouden opblazen.

Uit de keuken komt een baklucht. Aardappels, voor het ontbijt morgen. Shadi's moeder frituurt ze in een oud dertig-literblik. In het plafond zit een rond gat. Om de kachelpijp doorheen te steken tegen de tijd dat het echt koud wordt, en in de zomer voor de ontluchting. Als het regent, zoals nu, stopt Shadi het gat dicht met een lege cola-petfles. Aan het plafond hangen plastic zakjes met water. Goudvissenzakjes zonder goudvis. Omdat die het licht reflecteren, vliegen de insecten daar op af in plaats van op mensen. Toen Shadi's tante een keer met haar gezin over was uit Brazilië, riep ze geïrriteerd: “Jullie leven in het stenen tijdperk! Koop eens een elektrische muggenlokker!” Shadi vond dat onzin.

Maar toch zette die tante hem aan het denken. Ze is modern, verwesterd. De nichtjes surfen op Internet. Ze brachten veel levendigheid mee, met hun gekwek over magnetrons en portable cd's. Maar ze liepen door Bani Na'im alsof ze nooit weggeweest waren. De nichtjes worden als goede moslims opgevoed. Ze zullen met mannen uit het dorp trouwen, met bruidsschat en alles. Het idee om de Arabische maatschappij met behulp van moderne, Westerse technologie weer tot bloei te brengen, bedacht Shadi, was dus niet strijdig met de islam, met bepaalde tradities. Het ging niet om de stijl, maar om de inhoud. Dat was precies wat de sjeikhs van Hamas propageerden. Die hadden zelf satellietschotels op het dak en stuurden goede studenten naar het Westen.

Waarom moesten zijn nichtjes dan toch niets van Hamas hebben? En waarom liepen de vroegere aanhangers zo makkelijk weg bij Hamas, nu het even tegenzat? Kennelijk deed Hamas toch iets fout. Om uit te vinden wat, besloot Shadi een tijdje als 'buitenstaander' van Hamas door het leven te gaan. Dat was nogal een revolutie. Hij ging after-shave opdoen, gewoon op z'n baard, en spijkerbroeken dragen in plaats van zachte zwarte broeken. “Wat is er met jou aan de hand?” vroeg zijn moeder deze zomer. “Je bent zeker verliefd.” Dat ook. Maar dat vertelde hij haar niet.

Na middernacht, als de hele familie Manasrah in diepe slaap is, biecht Shadi het fluisterend op: dat verhaal dat hij verloofd is met een meisje in Jordanië, is gelogen. Dat vertelde hij vanmorgen op de universiteit, om zijn vrienden op een dwaalspoor te zetten. Die 'verloving' moet voorkomen dat ze de waarheid ontdekken. En dat is dat hij een jaar geleden, met een snuifje nep-Kouros op dat zijn oom Salah had laten slingeren, eindelijk de moed vond om de management-studente met de mooie ogen een roos aan te bieden. Ze droeg geen sluier. Maar hij droomde al lang van haar, onder die Hamas-kalender. Ze was deugdzaam, en weigerde de roos.

Twee weken later kreeg Shadi een briefje via haar zus: ze wilde hem spreken. Maar dat veel meisjes nu van hun vaders mogen studeren, betekent nog niet dat ze zomaar met een man koffie kunnen drinken. Dus hij sprak haar met haar zus erbij, op de plastic stoelen van de universiteitskantine. Na twee weken droeg ze een hoofddoek. Shadi had gevraagd: “Heb je gouden sieraden?” Die vraag had hij voorbereid. Ja, had ze gezegd, thuis in een doosje. Zo waren ze het erover eens geworden dat je schoonheid verbergt, opdat ze op speciale gelegenheden beter tot haar recht komt. Nu hebben ze het over trouwen en kinderen krijgen, na hun afstuderen, en over de islam. Zijn ouders vinden het goed dat hij zelf een bruid zoekt. Hij mag naar haar kijken, hij mag inlichtingen over haar inwinnen. Maar met haar praten, dat hoort pas na de verloving. Hij respecteert ze om die mening. Maar dat Hamas die mening ook propageert, kan hij maar niet begrijpen. Waarom mogen meisjes van de sjeiks wel studeren, zelfs in Amerika, maar niet met hun aanstaande praten? Shadi heeft de Koran er tien keer op nageslagen, maar nergens staat dat Allah dat verbiedt. Heeft Hamas wel nagedacht over de moderne islamitische maatschappij?

De volgende ochtend doopt Shadi afwezig een aardappel in zaatar, gemalen tijm met sesam en zout. “Koffie?” vraagt hij zijn zus Dahab, die zoals altijd meteen wegrent om het voor hem te maken. Shadi heeft weer slecht geslapen. Dat gaat nu al weken zo. Hij hoeft zijn hoofd maar op het kussen te leggen of zes jaren Hamas suizen door zijn hersenen. Alles wat ze hem vertelden, alles waar hij in geloofde, die hele gedroomde wereld van wedergeboren moslims komt in flarden terug. Losse flarden. Niets klopt meer. Alles was politiek voor Hamas, het had niets met het geloof te maken, zegt hij. De pamfletten - dreigementen aan het adres van 'de corrupte leiders' of 'de hoeren van de Revolutie': vrouwen die het waagden om nagellak te dragen of lippenstift op te doen. De voetbalwedstrijden - 'Hamas heeft Fateh verslagen!' De verkiezingen voor de universiteitsraad - 'Voor een Rechtvaardig Islamitisch Bestuur'.

Op die bergtop, in de bijtende kou, uitkijkend over de Israelische nederzettingen, had een van de mannen hem gerustgesteld: “De Amerikanen waren het eerst op de maan. Maar als wij de macht krijgen Shadi, dan zijn wij eerder op Mars dan de joden.” Toen had hij Shadi geld geboden als hij zich daarvoor wilde inzetten. Dertig dinar per maand, om pamfletten te verspreiden, leuzen te spuiten en stenen te gooien tijdens die nachtelijke Hamas-escapades. Shadi had gesidderd van opwinding en trots.

Hij schaamt zich als hij eraan denkt. Macht, daar ging het die mannen om, niet om een betere wereld. Daarom werden Hamas-politici nu minister in Arafats regering. Daarom wilden diezelfde jongens die Shadi destijds vroegen 'Dus jij verraadt de islam?', nu allemaal politie-agent worden in Arafats Zelfbestuur. Nu Hamas die jongens geen toekomst meer te bieden had, geen status, geen geld, liepen ze gewoon over naar de winnende partij. Geen centje pijn. Zo diep ging het islamitisch universum van Hamas dus. Nog geen centimeter. En hij, belezen ezel met al zijn doorwaakte nachten, komt er pas achter nu hij verliefd is geworden!

Zijn zus brengt koffie. Goed sterk. De kleintjes stormen binnen en rollen over de matrassen. Zijn zusje van twee plet kraaiend een negerzoen op Shadi's woordenboek. Dat komt slecht uit. Shadi moet namelijk naar een vergadering, met zijn meisje. Op de universiteit is een nieuwe islamitische groep opgericht, Al-Wai, Bewustwording. Voor gefrustreerde denkers zoals hij, die de hoop op een sterke, moderne islamitische samenleving niet willen opgeven. In kleine groepjes toetsen ze alles aan de Koran: gezinsplanning, de rol van de vrouw, de electronische snelweg. Het heeft nog niets met politiek te maken. Pas als alle vragen zijn beantwoord, kunnen ze zieltjes gaan winnen. Pas als de zieltjes gewonnen zijn, kunnen ze de politiek in. Andersom werkt het niet, dat heeft Hamas wel bewezen.

Terwijl hij de room en de chocola uit het woordenboek veegt, spelt Shadi het letter voor letter, in het Engels en niet in het Arabisch - Al-Wai. Zijn moeder mag het namelijk niet weten. Die wordt maar weer ongerust. En dat is nergens voor nodig. “Voordat de moslims naar Mars vliegen”, zegt Shadi, “verstrijken er nog wel tweehonderd jaar.” Zijn ogen glanzen. Maar onder de Lenin-pet, tussen zijn wenkbrauwen, tekenen zich twee verticale streepjes af. De fameuze, zorgelijke 11 van Hebron.

Vier dagen later belt Shadi op. Hij huilt. Zijn vriendin heeft een auto-ongeluk gehad. Sinds twee dagen ligt ze in coma.

    • Caroline de Gruyter