Vanzelf Natuur 8

De verwildering van veertien hectare voormalig boerenland in de Millingerwaard duurt nu bijna vier jaar. De achtste aflevering van deze reeks, met bijzondere aandacht voor het nachtleven.

TWEE JAAR geleden waren de drie stukken voormalig maïsland vrijwel ontoegankelijk door de meer dan manshoge akkerdistels en brandnetels. Hetzelfde gold voor het vroegere eiland, met uitzondering van een paar inhammen die de grazers, de wilde koeien en paarden wisten kaal te houden. De aanblik is nu volkomen anders. De begroeiing is overal laag en zelfs in korte broek zul je je benen niet bezeren. In het weiland krijg je de neiging brandnetels en distels tot beschermde soorten uit te roepen. Ze zijn bijna niet te vinden, terwijl bijvoorbeeld kamille, zuring, akkerkers en zwarte mosterd het uitstekend doen. Idem in het eerste, meest zuidelijke stuk maïsakker. Pas in het tweede en derde maïsveld staan velden brandnetels van betekenis, maar de omvang daarvan is beperkt en de brandnetels staan er zielig bij.

De oorzaak: het groot warkruid, een parasiet die zich met lange, kronkelende, rode tentakels om brandnetelstengels heen slingert en zo hele 'horsten' tegelijk te gronde richt. Er blijven verdorde brandnetelstaken staan, met verdorde (maar wel zaaddragende) kluwens warkruid eromheen. Zo effectief moordt het groot warkruid de brandnetels uit, dat het plantje ten slotte wel gedwongen is aan de distels te beginnen. Als die er niet zijn sterft ook de parasiet. Vervolgens steekt de brandnetel weer de kop op, op de voet gevolgd door de tweede generatie van zijn belager. En dat alles binnen één seizoen.

Waar de brandnetels nog groeien, staan ze bepaald niet dicht op elkaar en blijft er volop licht en voedsel over voor andere soorten. Vooral gras en hondsdraf profiteren daarvan. Ook in de vroegere maïsakkers ontstaat een stevige grasmat en overal is de zware, kruidige geur van hondsdraf te ruiken.

Zo zijn er intussen drie effecten die de overheersing van het 'onkruid' bestrijden. Behalve het groot warkruid zijn dat het afnemen van de mestvoorraad in de bodem (er wordt niet meer kunstmatig bemest en de planten onttrekken wel voedsel aan de grond) en het inspoelen en -waaien van zand uit de rivier. In het eerste stuk maïsakker, dat dicht aan de rivier ligt, komt al behoorlijk wat duinriet de dijk af wandelen. Niet dat dat zo'n interessante soort is, maar het is een teken dat de grond verzandt en verarmt, met kansen voor de vele bijzondere soorten die nog dichter bij de Waal, op het rivierduin, al volop voorkomen. Met de bijbehorende bijzondere fauna; zo blijkt de wolfsmelkpijlstaart, een vlinder die zich thuis voelt op de cypreswolfsmelk, het afgelopen jaar een topjaar te hebben beleefd.

In dat eerste gedeelte van de maïsakker vinden we zeepkruid, koekoeksbloem, kruisdistel, teunisbloem en wilde bertram. Ook pastinaak, een soort die volgens Wouter Helmer, ecoloog en ideoloog van de Millingerwaard, is komen overwaaien uit het naburige voormalige weiland. In de noordelijke twee stukken maïsakker stikt het van de bloemetjes: gele akkerkers, vlasleeuwenbek en moeraskruiskruid, wit-gele kamille en witte watermuur, paarse bitterzoet en kattestaart. De struiken blijven het goed doen. Boswilg, meidoorn en vlier schieten als paddenstoelen uit de grond. In het eerste stuk maïsakker, ergens op de relatief kale baan waar ooit een spoorbaantje liep, vinden we een vlier die al een jaar of drie oud moet zijn en steeds zijn bestaan verborgen heeft weten te houden (dank zij de brandnetels wellicht). Nu is hij niet alleen door mensen ontdekt maar ook door het vee, dat zich er lekker aan krabt met alle schade van dien. Volgens Wouter Helmer redt de vlier het wel.

Een grote rol lijkt weggelegd voor de braam. Tientallen, honderden struiken zijn in aanbouw. Die gaan weer bescherming geven aan jonge boompjes, die nu veelvuldig worden opgegeten door de grazers. Ook huisvest de braam de bramensprinkhaan en de grote groene sabelsprinkhaan, twee insectensoorten die zich bij het vallen van de avond nadrukkelijk laten horen.

HOOIWAGEN

Om de avond is het ons ditmaal te doen. We nemen plaats op een heuvel aan de rand van het terrein en wachten. In de avond gebeurt het: potentiële prooidieren voelen zich veiliger en komen te voorschijn, de mensen vertrekken, nachtdieren ontwaken. 's Avonds sta je open voor indrukken van dichtbij: de hooiwagen die over je broek loopt, het lieveheersbeestje dat op je hand landt, een rondwapperende nachtvlinder, de mug die steekt. De avond is de tijd van de geuren: de geur van hondsdraf, de geur van een plak mest, een dood beest, of eventueel een naderende vos. De geur van jezelf - niet voor niets zijn we beneden de wind gaan zitten. Als de schemering valt komen de hazen te voorschijn en de konijnen, waarvan vooral de laatste een prachtige voorstelling opvoeren, luisterend, snuffelend, etend, elkaar achternazittend. Als ze stil zitten zijn ze volmaakt onzichtbaar, maar zodra ze gaan huppelen wordt hun staart een knipperlicht dat je niet kunt missen.

Natuurlijk is de avond ook de tijd van geluiden. Grauwe ganzen die in formatie overvliegen, en tal van andere vogelsoorten die in de avond elkaar opzoeken om gezamenlijk verder naar het zuiden te gaan. Het doordringende getjoektjoek van de schepen op de rivier, die maar niet willen gaan slapen. En het geluid van onenigheid in de kudde paarden, waar hengsten een machtsstrijd uitvechten.

Trappelen, rennen, briesen, snuiven. Er vallen daar wel eens gewonden. Maar te zien is er niets. De roep van een steenuil, een verrassend hoge gil voor wie een melancholiek 'oehoe' had verwacht. De Steenuil houdt van verrassingen, meldt Wouter Helmer: “Het was bekend dat hij zich vestigde in wilgen en oude boerderijen, maar tijdens een inventarisatie een tijdje geleden vonden we er een die in een konijnenhol was gaan wonen.”

Als we voldoende indrukken hebben opgedaan en voldoende zijn verstijfd, wagen we ons aan een wandeling. Een zaklantaarn moet ons voor al te grote misstappen behoeden. Het instrument bewijst zijn nut als iets vaags zich voor onze voeten door het duister beweegt. Een egel die letterlijk midden in een paardenvijg zit en daarin nu voor ons wegduikt. Was zeker bezig daar insecten uit te snoepen. “Zo zie je maar weer”, stelt Helmer tevreden vast. “Ik had geen idee dat die hier ook zaten.”

Terwijl we door de vegetatie sjouwen zwaait de ecoloog met een vleermuizendetector: een soort ontvanger met een richtmicrofoon en een schakeling die onhoorbare geluiden verandert in hoorbare. Door het rode lampje op dit apparaat is het net of hij een sigaret in zijn hand heeft. Afgestemd op 20 Kilohertz, net boven de gehoorgrens van de meeste mensen, ontvangt hij vooral sprinkhaangeluiden. Maar op 40 KHz houden de sprinkhanen zich koest en zowaar, nu en dan komen er kreetjes door die Helmer herkent als het sonargeluid van dwergvleermuizen. Over het algemeen blijven ze in de buurt van bomen, die dienen als oriëntatiepunten. We vinden ze dus vooral aan de randen van ons verwilderde landbouwterrein, maar naarmate er meer struiken opslaan zullen ze wel naar binnen trekken.

SPRINKHANEN

In het vroegere maïsveld zijn de vlasleeuwebekjes dit jaar massaal opgekomen. “Alle mogelijke zaden zijn aanwezig; datgene wat toevallig door de omstandigheden een kans krijgt, grijpt die”, is Helmers commentaar. In het licht van de zaklantaarn blijken nachtvlinders massaal juist op deze vlasleeuwebekjes te fourageren. Waar je de bundel ook maar richt, zitten ze.

En steeds klinkt het gesnerp van de sprinkhanen uit het jonge braamstruweel. Sprinkhanen moeten beslopen worden; als je te veel misbaar maakt, houden ze zich gedeisd. Na een aantal vergeefse pogingen vangen we ze in de bundel van de lamp: een bramensprinkhaan, bruin, zenuwachtig en een centimeter of drie groot. Heel gewoontjes. Indrukwekkend is de grote groene sabelsprinkhaan, bijna pinkgroot, de enorme voelsprieten niet meegerekend. Een blijft zelfs onverstoorbaar doorsjirpen in het elektrische licht, waarbij hij ons doordringend aankijkt.

“Ze leggen hier hun eieren, en die komen volgend jaar uit. Zou je maaien, dan zijn de eieren weg en krijg je geen of veel minder sprinkhanen”, zegt Wouter Helmer. “Buizerds, we hebben in de Millingerwaard nu vijf paar, eten graag sprinkhanen, omdat ze makkelijk te vangen zijn. Maar in het bijzonder de zeldzame kwartelkoning, die hier dit jaar is gesignaleerd, kan overleven dank zij de aanwezigheid van deze sprinkhanen.”

    • Herbert Blankesteijn