Van nature flexibeler

Een nieuw modewoord rukt op. Flexibiliteit is tot kernbegrip van het moderne leven gebombardeerd. Alles moet flexibel worden. Van loopbaanplanning tot straftoemeting en van studiecurriculum tot winkelsluitingstijden. Vooral ook de mens zelf die, zoals de standaardformulering wil, “flexibel moet kunnen inspelen” op de snelle veranderingen in de huidige maatschappij.

Sommigen maken zich zorgen of met name jonge vrouwen die het moederschap willen combineren met bezigheden buitenshuis dit allemaal wel bij kunnen benen. Zijn juist zij niet gebaat bij de overzichtelijkheid van maatschappelijke orde, rust en regelmaat? En worden vooral zij door al die vereiste flexibiliteit niet extra belast?

Ik denk dat dat meevalt. Vrouwen zouden misschien zelfs wel eens beter bestand kunnen blijken te zijn tegen de nieuwe rommeligheid dan mannen. Vrouwen zijn namelijk van nature flexibeler dan mannen. Dat heeft een lange geschiedenis.

Een vrouw, hetzij dier hetzij mens, is een belangrijk deel van haar leven moeder en wil zij zich succesvol kunnen voortplanten dan zal zij goed op haar kinderen moeten letten. Wat haar bezigheden ook zijn - op zoek naar voedsel, drinkend in een beek of bezig met het aanleggen van een vuur - altijd moet een half of heel oog gericht zijn op wat het jong, het kind doet. Vrouwelijke wezens die dat in de oertijden goed konden, hielden hun nageslacht in leven en gaven dit kenmerk aan hun dochters door. Het vond mettertijd ook zijn weerslag in de structuur van de menselijke hersenen. De hersenbalk die de linker met de rechter hersenhelft verbindt, maakt in het algemeen bij vrouwen verkeer tussen de ene en de andere kant makkelijker dan bij mannen. Dat wil zeggen dat de vrouwelijke aandacht zich sneller kan verplaatsen, en dan met name van het verstandelijke naar het emotionele en terug. Anders gezegd: vrouwen kunnen in het algemeen - want individuele uitzonderingen zijn er natuurlijk altijd - makkelijker aan allerlei dingen tegelijk denken en bovendien wat beter van gevoel naar verstand omschakelen.

Op wat wij nu terugkijkend de traditionele rol van moeder en huisvrouw noemen, vergde tot de eerste helft van deze eeuw in onze cultuur inderdaad flexibiliteit. Het in 1913 in Stuttgart uitgegeven boek Die tüchtige Hausfrau geeft daarvan een beeldende getuigenis. In ruim 700 pagina's met meer dan 1.600 gravures wordt op didactische wijze uitgelegd wat een goede huisvrouw en moeder uit de grote burgerlijke middenklasse van de maatschappij voor vakmanschap moest hebben.

Van het vlechten van ingewikkelde kapsels en het herstellen van door regen en wind verfomfaaide struisveren tot het repareren van een kraan; van het uit elkaar halen en schoonmaken van diverse typen petroleumlampen tot het maken van zijden bloemen voor een winterboeket; van het wecken van zomergroenten tot het behandelen van snijwonden; van het aanleggen van een kolenvuur in fornuis of kachel - een essentieel verschil - tot het maken van pluchen knuffeldieren. Om nog niet te spreken van alle ingewikkelde naai-, brei- en haaktechnieken die zij voor het maken van (kinder)kleren onder de knie moest hebben. Dus duidelijk een tijd dat het bij huishoudelijk werk om meer ging dan om het nu spreekwoordelijke schoonmaken van het afvoerputje in de badkamer. Dat dat van die putjes meer en meer het geval werd, komt door technische en culturele veranderingen, waardoor de noodzaak van veelzijdigheid in toenemende mate verdween, met een versnelling van die afname in de jaren vijftig.

De techniek bracht tijdbesparende huishoudelijke apparaten. De arbeidsintensieve weck werd vervangen door conserven in blik. Maandag wasdag met weken, uitkoken, schuren, bleken, blauwsel, spoelen, stijven en drogen werd een begrip uit grootmoeders tijd. Boenwas en brandzalf hoefden niet langer zelf te worden gemaakt. Klaargekochte kleren werden meer en meer betaalbaar.

Een gevolg was dat vrouwen steeds minder aan het vakkundig bestieren van een huishouden een identiteit konden ontlenen. Er moet een tijd zijn geweest dat het voor hen geen bron was van ondermijnd zelfvertrouwen om achter de vraag naar het beroep 'huisvrouw' in te vullen. Maar toen het vakmanschap van het huisvrouw-zijn werd uitgehold, werd het als basis voor identiteit en eigenwaarde wankel.

Het tweede gevolg was dat vrouwen meer tijd kregen, lege tijd, waarvoor ze een nieuwe invulling moesten zoeken, vooral als de kinderen eenmaal naar school gingen. Niemand heeft beeldender en schrijnender beschreven wat dat betekende dan Betty Friedan in haar Feminine Mystique uit de jaren zestig. Hoe er een schijnwereld werd geschapen van een nieuw soort huisvrouw, en in leven werd gehouden door de vrouwenbladen. Een huisvrouw, die weer haar eigen brood ging bakken, die een boomgaard zocht waar ze pruimen mocht plukken zodat ze zelf jam kon maken, die de echtelijke slaapkamer opfleurde met een zelfgehaakte sprei. Enzovoort. Inderdaad een schijnwereld, waarin veel van wat men deed geen erbuitenliggend nuttig doel diende, maar doel in zichzelf was. De tragiek die Betty Friedan beschreef was niet dat vrouwen druk bezig waren met het maken van gezonde, lekkere of mooie dingen, maar dat het niet authentiek was, niet echt nodig, maar meer een kunstmatige werkverschaffig. En tragisch was vooral dat vrouwen dat allengs ook zelf zo gingen voelen.

De moderne jonge moeder hoeft daar geen last meer van te hebben, als zij door de samenleving via reële deeltijdbaan en goede kinderopvang in staat wordt gesteld de tijd dat zij niet voor haar gezin hoeft te zorgen buitenshuis zinvol bezig te zijn. Haar natuurlijke flexibiliteit doet dan wel de rest.