The Discovery of Heaven

Het schrijven van een society rubriek, het bijhouden van het doen en laten, de opkomst en ondergang der machtigen en beroemden, moet een van de moeilijkste specialismen in de journalistiek zijn. Je wordt overal op de ontvangsten en partijtjes gevraagd want alle belangrijken willen in de krant, liefst op hun best.

Men probeert je honing om de mond te smeren, maar niet omdat men je zo aardig vindt. Het kan ze niet schelen of je aardig bent of niet. Het gaat om de drukpers. Je bent gevreesd om je pen waarmee je de woorden schrijft die morgen iedereen zal lezen. Als je naïef was zou je denken dat alle beroemdheden het zo ver hebben gebracht dank zij hun niet aflatende werklust en braafheid. Maar je weet wel beter. Eigenlijk ben je op hun samenkomsten om erachter te komen, welke steek ze nu weer hebben laten vallen. Niet zo moeilijk want beroemdheid A troont je mee naar een stil hoekje om je over de misstap van B in te lichten, en dan vertelt B je iets schandaligs over A. Zelf onkreukbaar zijnde ga je onbesproken voor het einde weg om alles op de redactie op te schrijven. Na je vertrek verontschuldigt de gastvrouw/heer zich tegenover de beroemdheden dat ze 'die mestkever van de krant' moesten dulden. Deze uitdrukking heb ik niet van mezelf. De auteur is Max Weber die in zijn opstel Politiek als beroep een kenschets geeft van de journalist en daarbij uitlegt dat dit geen vak is voor lichtgeraakte mensen met een zwak karakter.

Woensdagavond was ik in de Century Club, het waardige gebouw uit 1899, op nummer 7 van de 43ste straat west. Een bijzondere avond voor de Nederlandse literatuur want daar werd in aanwezigheid van Harry Mulisch de Amerikaanse uitgave van De ontdekking van de hemel ten doop gehouden, The Discovery of Heaven. De Century Club is uitstekend geschikt voor zo'n feestelijkheid. Bijna een eeuw al komen de Newyorkse intellectuelen hier samen om van gedachten te wisselen. Om een paar voorbeelden te geven: Arthur Schlesinger jr. (de historicus die tegen de tachtig loopt) en senator Moynihan zijn er lid van. De wanden van alle kamers en zaaltjes zijn door boekenkasten aan het oog onttrokken ('Boeken, een zeer dik soort behang' - W.L.Brugsma) en overal is dat geciviliseerde meubilair van mahonie, oud eiken en leer dat door de opeenvolgende generaties zorgvuldig in de was is gehouden. Waardigheid, welvaart en macht.

De vernissage was op de derde verdieping. Het was al behoorlijk vol toen ik binnenkwam - te laat dus eigenlijk. Een beginnersfout. De verslaggever moet, dunkt mij, bij dergelijke gelegenheden een van de eersten zijn, zodat hij zich strategisch kan opstellen, om waar te nemen waar het sociale zwaartepunt zich vanzelf vestigt; de magnetische pool, en hoe die zich misschien in de loop van de avond verplaatst of zich opdeelt. Is men zelf beroemdheid dan kan men het zich veroorloven, later of laat te komen om dan vast te stellen hoe het met het eigen magnetisme gesteld is.

De societyverslaggever begint nu te noteren wie hij zag. Daar waren onze ambassadeur bij de Verenigde Naties, Nicolaas Biegman, behalve diplomaat ook een begaafd fotograaf; onze nieuwe culturele consul Frank Ligtvoet, de project coördinator voor culturele zaken, Robert Kloos, de hoofdredacteur van Vrij Nederland, Rinus Ferdinandusse, een schrijver wiens naam me ontgaan is maar niet dat hij voortdurend zijn hoed op hield, en vele anderen. Tussen de regels door merk ik dat het verslaan van de society niet m'n roeping is. De bediening kwam telkens rond met aardappelkroketjes en een soort raviolibolletjes, en hoewel er in de Verenigde Staten steeds minder sigaretten worden gerookt, pafte men er hier op los alsof Humphrey Bogart het voor het zeggen had.

Toen kwam de uitgever, Peter Mayer, tot voor kort directeur van Penguin en kind aan huis in Amsterdam. Hij hield de toespraak, was vol lof over de schrijver - natuurlijk - maar het was geen gelegenheidsverhaal. Uitgevers zijn mensen. Ze houden van al hun auteurs evenveel, maar toch is de ene schrijver hun dierbaarder dan de andere. Harry Mulisch hoort tot zijn dierbaarsten, dat was goed te merken. En dan breekt het ogenblik aan waarop de schrijver moet antwoorden. Dat deed hij uitstekend. Hoe gemakkelijk, dacht ik, zou je bij zo'n gelegenheid van zelfgenoegzaamheid praktisch uit je vel kunnen barsten, hoe verwaten zou je kunnen zijn, of juist schaamteloos in je valse bescheidenheid. Niets van dat alles. Daar stond de schrijver, vriendelijk, in keurig Engels een beknopte uitleg te geven hoe het schrijven van dit boek in z'n werk was gegaan. Schrijven is ongeveer als stratenmaken, heeft hij vroeger eens gezegd. Je kruipt achteruit, klopt de klinkers in de grond en zo ontstaat het boek. Nu, in andere bewoordingen, gaf hij ongeveer dezelfde verklaring, dankte Peter Mayer en de andere aanwezigen en dat was dat. Men ging over tot de ordeloze onderlinge gedachtenwisselingen. Ja, het was behalve een gedenkwaardige vooral een vriendelijke bijeenkomst, zonder bedekte bedoelingen of ondergrondse boosaardigheid.

In de Wall Street Journal is The Discovery of Heaven intussen al prachtig besproken. Driekwart kolom vol met vleiende vergelijkingen. De lezer, besluit de criticus Jamie James, wordt hier verlicht en uitgedaagd en verveelt zich niet. In The New Yorker zal John Updike er binnenkort het zijne over zeggen.

Over het algemeen wordt je in het buitenland verheerlijkt het woord Ajax toegevoegd als je zegt dat je uit Nederland komt. Dit is weer eens heel iets anders.

    • S. Montag