Tentoonstelling van Palestijnse Mona Hatoum in De Appel; 'Afstotend én luchthartig' werk

De Palestijnse Mona Hatoum maakt installaties waarin ze de relatie tussen lichaam en ruimte onderzoekt. 'Het dreigende dat van mijn werk uitgaat is een onbewust gevolg van mijn jeugd in een politiek instabiel land.'

Tentoonstelling: Mona Hatoum, Werner Feiersinger, Keiko Sato, Craig Bell. De Appel, Nieuwe Spiegelstraat 10, Amsterdam. T/m 5 jan. Di t/m zo 12-17u.

AMSTERDAM, 2 NOV. Welcome staat er uitnodigend op een deurmat, in de eerste zaal van de tentoonstelling van Mona Hatoum in De Appel. Voorzichtigheid is echter geboden: de mat is gemaakt van vlijmscherpe ijzeren pinnen.

De Palestijnse Mona Hatoum (Beiroet, 1952) woont sinds 1975 in Londen.

Tijdens haar eerste reis naar het westen brak in Libanon oorlog uit. Ze bleef in Engeland en studeerde in 1981 af aan de Londense Slade School of Art. Aanvankelijk trad ze op met performances, tegenwoordig maakt ze installaties waarin ze de relatie tussen lichaam en ruimte onderzoekt.

De opening in Amsterdam is sinds september al de achtste die ze bijwoont, vertelt Hatoum. Dit najaar is haar werk in solo- en groepstentoonstellingen te zien in New York, San Francisco, Parijs, Graz, Londen en Milaan.

Voor een retrospectief vindt ze het nog te vroeg - ze maakt liever nieuw werk. Hatoum nodigde drie oud-studenten van de Jan van Eyck Academie in Maastricht, waar ze les geeft, uit. Zelf exposeert ze op de eerste verdieping van De Appel; Werner Feiersinger, Keiko Sato en Craig Bell op tweede verdieping.

Tentoonstellingen bieden Hatoum vaak de mogelijkheid om kostbare plannen te verwezenlijken. Zo had ze het idee voor Corps étranger (vreemd lichaam) al lang, maar dankzij het Centre Pompidou in Parijs vond ze een arts die bereid was een endoscopisch onderzoek bij haar te doen. In Amsterdam presenteert ze een recente 'home-version' van de installatie die vorig jaar op de Biennale in Venetië te zien was. Via een bord op een keurig gedekt tafeltje kan men video-opnames bekijken van haar inwendige lichaam - van mond, slokdarm, maag en darmen tot de anus en weer terug. Zelf karakteriseert Hatoum het werk als 'afstotend èn luchthartig'. In een Newyorks restaurant lieten de gasten hun eetlust er niet door bederven.

Naast deze tafel hangt een vreemde verzameling kleurenfoto's van levende en dode dieren. Hatoum kwam ze toevallig op haar reizen tegen: de pronkende pauw op een joodse begraafplaats in Wenen, de uitstalling van orgaanvlees bij een slager in Oost-Jeruzalem.

Het verblijf in Jeruzalem, op uitnodiging van een kleine Palestijnse galerie, inspireerde haar tot het maken van twee installaties. Vooral de spontane reacties van het gewone publiek dat zich niet afvroeg of het wel kunst was, vond ze daar 'heel verfrissend.'

Enthousiast vertelt Hatoum, dat iedereen direct de kaart van de autonome Palestijnse gebieden herkende, die ze met rode kralen in een veld van meer dan tweeduizend blokjes olijfzeep had aangebracht. “Een eilandenrijk van geïsoleerde arabische dorpen. Bezoekers trokken automatisch de conclusie dat als de zeep was opgelost, al die grenzen verdwenen zouden zijn.”

Ook de andere installatie - een oud bed op wieltjes dat met onzichtbaar vissersdraad aan de grond stond vastgenageld - beschouwde men als commentaar op de Palestijnse situatie.

Hatoums werk heeft vaak prachtige dubbelzinnige titels: Lili(stay)put heette het bed in Jeruzalem en de installatie met zeepblokjes Present tense (Tegenwoordige tijd). “Ik bedoel eigenlijk, the present is tense”, verduidelijkt Hatoum.

Speelt haar achtergrond altijd een rol in haar werk? Hatoum: “Soms wel en soms niet. Ik woon al bijna de helft van mijn leven in het westen. Het dreigende gevoel dat van mijn werk uitgaat, is een onbewust gevolg van mijn jeugd in een politiek instabiel land. Aan de andere kant gaan installaties als Light sentence en Quarters over de uniforme westerse woningbouw die goedkoop, rationeel èn onmenselijk is. In Libanon bouwt iedereen zijn eigen huis. Elk huis is anders. Er zijn geen regels en er is geen centrale overheid die zich er mee bemoeit. Eigenlijk heb ik die twee elementen in me: door mijn opvoeding kreeg ik het emotionele en lichamelijke mee van de arabische cultuur, maar westerse rationaliteit en technologie fascineren mij ook.”

In de gevangenisbouw is die rationele controle het verst doorgevoerd. Bezoeken aan Amerikaanse gevangenissen in Alcatraz en Philadelphia vormden mede aanleiding voor Quarters. In Light sentence staan drie wanden met doorzichtige kluisjes die sterk aan kooitjes doen denken in een u-vorm opgesteld. In het midden hangt een gloeilamp die langzaam op en neer beweegt. Door de veranderende schaduwen op de muur lijkt het of je zweeft, of je geen vaste grond meer onder je voeten hebt. Hatoum: “Pas achteraf zag ik overeenkomsten met de ontworteling die je voelt als je in een vreemde cultuur leeft.”

Een ander recent werk, Divan Bed, is gemaakt van zware staalplaten die je meestal in fabrieken of schepen aantreft. Het zwarte gevaarte lijkt op een sarcofaag, maar het patroon van de platen doet tegelijk ook denken aan geweven stoffen.

Na afloop van het gesprek zie ik dat de trappen van De Appel van hetzelfde materiaal zijn gemaakt. Hoe heet het eigenlijk? De technici met wie Hatoum de laatste hand aan de inrichting legt, weten het: traanplaat. Hatoum lachend: “Dat krijg ik er zomaar extra bij.”

    • Din Pieters