OVER DE LACH EN DE VERGETELHEID

Johan van der Velde (39) was een stijlvolle, karaktervolle wielrenner. Hij was een lachebek en hij was populair totdat zijn prestaties afnamen. Hij raakte verslaafd aan opwekkende middelen en viel van het ene ongeluk in het andere. Na zes jaar ellende durft hij weer onder de mensen te komen, als ploegleider van Bredase amateurs. “Ik moet en zal slagen.”

Ze zwaaien en lachen naar hem, iedereen, de hele dag. “Hé Johan, hoe is het?” Zo heeft hij het altijd graag gewild. Vroeger al, toen hij op z'n bakfiets de kranten rondbracht, toen hij op z'n racefiets zijn trainingsrondjes reed en nu als hij op de shovel over het terrein van de Shell rijdt. Hij heeft er altijd van genoten wanneer ze hem herkennen, wanneer ze hem gedag zeggen en hem aardig vinden. Dat was vroeger al toen hij vier jaar lang als beroepsrenner in Italië reed. Tsjonge, wat was hij populair in Italië. Ze sloegen hem op de schouders, omarmden hem en zoenden hem. “Hé Giovanni.” En Johan glom van genot en hij lachte. Hij lachte altijd.

Hij werd op een voetstuk gezet. Ze wilden een standbeeld voor hem oprichten. Ze keken tegen hem op. Is het gek? Johan van der Velde was een fantastische wielrenner. Met zijn prachtige stijl, met zijn karakter en zijn uitstraling. Hij kon klimmen - dat zie je tegenwoordig niet meer bij Nederlanders. Die hebben het talent niet. Die kunnen niet afzien, zoals hij. Wanneer hij 's morgens rond zes uur na een autorit door de stormachtige herfstbuien op zijn werk verschijnt zegt hij tegen zijn collega's: “Mijn weer vandaag. Vroeger was ik op m'n best in de regen.”

De speer van Rijsbergen werd hij genoemd. We zitten aan tafel in zijn woning in Breda. Josée, zijn vrouw heeft koffie en appelbeignets geserveerd. Boven liggen de kinderen te slapen. Zijn tweeling, Daniëlle en Alain van elf, en Ricardo van negen, wiens eerste levensmaand hij niet meemaakte door fietsverplichtingen in Italië. Negentien jaar geleden zaten we ook aan tafel, toen in zijn ouderlijk huis in Rijsbergen. Zijn vader had een varkensmesterij. Johan van der Velde was amateurwielrenner. Negentien jaar was hij en zojuist tweede geworden in de Tour de l'Avenir. Hij had de ronde gewonnen, als hij niet door materiaalpech was getroffen en de Belgen Schepers, Criquielion en Van Calster niet hadden geprofiteerd. Van der Velde was een schuchtere, verlegen jongen. Hij wist nog niet wat een interview was. Wat moest hij nou zeggen? Dus haalde hij een varken uit de stal. Schaterlachend stond hij in de keuken met een schreeuwende big in zijn armen.

Of hij al professional wilde worden? Nee, voorlopig nog niet. Hij kon goed klimmen, hadden ze gezegd. Maar hij was nog te jong en te onervaren voor het grote beroepswielrennen. Een maanden later tekende hij toch al een contract bij de ploeg van Peter Post, die in hem een groot talent zag. En het ging beter dan menigeen verwachtte. Hij won de Ronde van Romandië, de Ronde van Engeland en de Ronde van Nederland. Hij kreeg de overwinningen niet voor niets. Want routiniers als Hennie Kuiper lieten hem wel zwoegen en stoempen. Maar hij was al iemand, hij was een kampioen aan het worden. En hij werd een kampioen. Tweemaal kampioen van Nederland, drie Tour-etappes, gele trui, derde in de Tour, winnaar jongerenklassement, vierde in de Giro, twee Giro-etappes, drie keer winnaar puntenklassement van de Giro, Dauphiné Libéré. Josée, zijn vrouw, weet het nog allemaal precies. Boven liggen alle knipsels, foto's en trofeeën.

Deze zomer kwam het allemaal weer boven, al die prachtige herinneringen. Hij zag zichzelf weer op kop van de groep sleuren tijdens een beklimming, Zoetemelk aan zijn wiel, Zoetemelk naar de Tour-zege slepend. Plotseling was hij toen gevallen. Hij probeerde de greep op zijn stuur te verplaatsen en tastte mis. Van der Velde op de grond, Zoetemelk op de grond en weer opstaand. Wat een tijden waren dat. “Ik zat voor de televisie naar de Tour de France te kijken en kreeg al die herinneringen. Ik dacht: godver, moet je nou eens kijken wat die Nederlanders presteren. Helemaal niks. Geen talent, geen karakter. Dan was ik toch een goeie, een hele goeie. Toen voelde ik ineens dat ik toch een fantastische wielrenner was geweest. Dat ik niet niemand was, niet waardeloos. Dat ik kon afzien. Dat onze pa en ma toch een klimmer hebben gemaakt. Daar heb ik zelfwaardering van gekregen. Daar groeide ik van.”

Van der Velde gloeit van opwinding wanneer hij moet vertellen over zijn tocht over de Passo di Gavia, hoe hij in de sneeuwstorm het Giro-peloton vooruitsnelde en bevangen door de kou uiteindelijk in een meerijdend busje stapte. Hoe hij na het nuttigen van warme, alcoholische en opwekkende drankjes drie kilometer voor de finish op advies van de chauffeur uit de bus stapte en de rit voltooide, zodat hij zijn puntentrui kon behouden. Niet eerlijk eigenlijk, vond hij toen al.

En hij verbleekt wanneer hij vertelt over zijn jarenlange verslaving aan amfetaminen, de 'negers', zijn talrijke diefstallen en zijn andere escapades. “Het begint met één pilletje. Toen nog een omdat het zo lekker voelde. Op een gegeven moment houd je niet meer op. En als het wielrennen steeds slechter gaat, grijp je naar steeds meer. Vooral in de laatste jaren van mijn carrière werd het steeds meer. En daarna nog meer. Dan weet je echt niet meer wat je aan het doen bent. Je denkt niet meer helder, je raakt gestoord en je vlucht uit nare situaties. Het ging maar door. Iedereen werd er gek van. Ik was voor niemand meer te bereiken.”

Rechtszaken, strafinrichtingen, afkickcentra, psychotherapeuten, praatgroepen, alles heeft hij meegemaakt. “Maar je moet het allemaal zelf doen. Niemand kan je helpen. Je moet het zelf willen. Ruud Bakker, mijn soigneur van vroeger heeft me eens naar een man gestuurd die goed kon praten. Willem heet hij. Nou, die kan praten. Als hij hier komt zit hij er morgenochtend om vijf uur nog en dan ben je overtuigd. Dan weet je dat het leven geen toeval is. Hij heeft me er doorheen geholpen, hij heeft ervoor gezorgd dat Josée bleef. Maar je kunt honderd klinieken doorlopen, er is maar één die het echt kan en dat ben jezelf.”

Van der Velde kan weer helder nadenken. “De schuld van alle ellende heb ik alleen. Ik weet nu voor wie ik leef. Elke zondag ga ik hier naar de Pinkstergemeente, dan zit ik daar en luister en geniet. Dan voel ik me lekker als ik thuiskom. Het staat allemaal in het Nieuwe Testament. Hoe het is. Je denkt toch niet dat een of andere gek dat boek heeft geschreven. Dat is niet zomaar. Zo is het echt gebeurd. En ik geloof er in. Ik ben katholiek opgevoed, maar dat was anders. Ik ben er altijd mee bezig geweest. Vroeger keek ik naar de EO of ik bad als ik op de fiets zat of ergens in een hotelkamer. En het hielp. Als ik gewonnen had, dan wist ik dat mijn gebeden verhoord waren. Daar kunnen ze allemaal om lachen. Maar als ik het zo voel, dan is het zo.”

Afgelopen zomer dwong Van der Velde zichzelf naar de Tour-reportages te kijken. “Ik moest, ik moest. Jarenlang had ik niet durven kijken, dan liep ik weg als er wielrennen was of over wielrennen werd gesproken. Maar ik zei tegen mezelf: 'Dat kan toch niet waar zijn? Die sport waar ik zoveel plezier aan heb beleefd, daar kan ik toch niet voor weglopen.' Ik had altijd gevoeld dat er nog een hoop verdriet in mijn lijf zat. Dat moest er uit. Dus ik bleef kijken. Ik heb dikwijls zitten janken. Nu wist ik waar het verdriet zat. Dat ik nooit meer zo'n fantastische wielrenner zou worden. Dat ik dat miste, dat leven en die populariteit. Iedereen die me toen herkende op straat en zei: 'Hé, Johan wat ben gij toch een fantastische renner'. Dat kwam allemaal weer boven.”

Op zijn werk vroegen de collega's naar de voorspellingen voor de volgende etappe. Hij moest voor allemaal de Tour-pool invullen. Want hij had er verstand van. En hij bleef het wielrennen volgen. Hij ging in op een uitnodiging om een dag de Ronde van Nederland te volgen en vond wielrennen weer leuk. In mei was het al een beetje begonnen. De redactie van Wielerrevue vroeg hem mee te gaan naar de Ronde van Italië. Schoorvoetend ging hij mee. En het was geweldig. “Iedereen kende me nog in Italië, echt iedereen. Ciao, Giovanni. Als je in Italië iets gewonnen hebt, blijf je je hele leven een held. Wat er ook met je gebeurt, wat je ook verkeerd doet. In Italië voelde ik me heerlijk. Daar is het weer begonnen met het geluk.”

Rond die tijd mochten zijn kinderen op school een sport uitkiezen die zij graag wilden beoefenen, dan konden ze op kosten van een Bredase club zes weken kennis maken met deze sport. Ze kozen zonder medeweten van hun vader en moeder alle drie wielrennen. Ook dochter Daniëlle. En nog steeds, maanden later zijn ze fanatieke wielrenners op de wielervereniging Breda. Alleen de jongste is afgehaakt. “Alain zei een keer: 'Kom op pa, ga eens met ons meetrainen'. Ik dacht: kom nou. Ik had geen eens een fiets. Nou, ik een fiets opgeduikeld en ben met die jongens gaan fietsen. Man, ik kreeg er plezier in. Heerlijk, met dat mooie weer, plezier met de kinderen. Die Alain rijdt prachtig, soepel, een artiest, de stijl van zijn vader, en zijn karakter. Maar ik laat ze doen, van mij hoeven ze niks. Ze hoeven geen kampioen te worden van mij.”

Het verwondert Van der Velde niet dat zijn kinderen wielrennen als hun geliefde sport hebben uitgekozen. Loyaliteit aan hun vader, de wielrenner van weleer, kan het nauwelijks zijn geweest, meent hij. “Ze zijn nou elf en negen jaar. Ik heb zes jaar niet gefietst. Van mijn wielerleven hebben ze niks meegemaakt. Het is ook geen toeval. Want dat bestaat niet. Voor alles is een reden. Wat je ook meemaakt in je leven, wat je ook doet en verkeerd doet, het heeft een betekenis. Al die dingen zijn bedoeld om ervan te leren, om er een volwassen mens van te worden. En ik heb veel meegemaakt en veel geleerd. Ik wil het nooit meer meemaken. Nooit. Ik zal zorgen dat het nooit weer gebeurt. Ik heb verplichtingen tegenover mijn gezin. Wat mijn vrouw heeft moeten doorstaan, valt niet te beschrijven. En ze is er nog steeds. Er zijn vrouwen die voor minder weglopen. Ik moet ook een voorbeeld zijn voor mijn kinderen. Ik moet een keer volwassen worden.”

Negen maanden geleden begon hij in Rotterdam te werken. Een jaar geleden durfde hij zich ook al te melden op de reünie van de ploeg-Post. “Dat viel mee, ik werd ontvangen als Johan van der Velde en niet als een misdadiger. En vanaf dat moment komen allerlei mensen en dingen op mijn weg die me er van doordringen dat ik mag bestaan. Ik heb geleerd dat ik niet iedereen kan vertrouwen. Ook niet iedereen die aardig tegen me doet. Maar ik ben naïef hè, vraag maar aan Josée.” Zijn vrouw knikt driftig. Maar het is zo fijn en tegelijk verraderlijk wanneer mensen je ophemelen, weet Van der Velde. “Toen ik negentien jaar was en een goede wielrenner bleek te zijn, zei ik tegen mezelf: 'Ik wil gewoon blijven'. Je ziet hoe gewoon ik gebleven ben. Je raakt verslaafd aan aandacht en verslaafd aan pillen. Blijf dan maar eens gewoon.”

Door zijn kinderen raakte Van der Velde weer in contact met de wielervereniging Breda, waarvan hij vroeger al lid was. Hij kreeg weer plezier in de wielersport en ging uiteindelijk gretig in om het aanbod om ploegleider van de amateurs van de Bredase vereniging te worden. Volgend jaar zit hij in de auto achter zijn renners. Deze winter zal hij ze van advies dienen. Want iedereen is er van overtuigd dat Johan van der Velde weet hoe de koers in elkaar steekt. Hoe lang hij het vol zal houden? “Ik moet het nog zien”, zegt Josée. “Wat? Ik moet slagen en ik zal slagen”, antwoordt Johan en hij slaat met zijn vuist op tafel.”

Het is al heel laat. Johan van der Velde moet om vijf uur op. Het zal een korte nachtrust voor hem worden. Maar praten over wielrennen heeft hem goed gedaan. Hij lacht weer en de mensen lachen weer naar hem. Morgen zal hij opstaan als het nog donker is en de herfstbuien tegen de ramen slaan. Maar hij zal zijn kraag opzetten en zeggen: “Mijn weer vandaag. Vroeger was ik op m'n best in de regen.”

    • Guus van Holland