Na vier jaar Clinton staan de VS er economisch beter voor

De Amerikaans economie staat er een stuk beter voor dan vier jaar geleden. Er zijn tien miljoen banen bijgekomen. President Clinton eist daarvoor de eer op. Ondanks de mooie economische cijfers blijven de Amerikanen bezorgd over hun economische vooruitzichten. Maar omdat het zoveel slechter had gekund, krijgt Clinton het voordeel van de twijfel.

In zijn campagne voor een tweede termijn in het Witte Huis gebruikt Bill Clinton graag een gouden zinnetje van Ronald Reagan. De great communicator sprak de kiezers tijdens de presidentsverkiezingen van 1980 en 1984 heel direct aan met de vraag: Staat u er beter voor dan vier jaar geleden? In 1980 was het antwoord Nee, en de zittende president Jimmy Carter werd naar huis gestuurd. Vier jaar later was het antwoord Ja, en de zittende president Reagan werd herkozen.

Nu eist Clinton op zijn beurt de eer op voor het herstel dat de Amerikaanse economie de afgelopen vier jaar heeft laten zien. Het valt te betwijfelen of een president werkelijk veel invloed kan uitoefenen op de ontwikkeling van een economie die zo groot is, en zo open, als de Amerikaanse. Maar zelfs de The Wall Street Journal, de zakenkrant die zelden een gelegenheid voorbij laat gaan om Clinton te hekelen, erkende onlangs in een hoofdartikel dat de president op zijn minst een aantal economische valkuilen heeft vermeden, en dat hij daarvoor lof verdient. De bewering van Clintons uitdager Bob Dole dat het land kampt met 'de slechtste economie van de eeuw' wordt zelfs door zijn partijgenoten niet erg serieus genomen.

De tien miljoen nieuwe banen die Clinton destijds in zijn campagne beloofde, zijn er gekomen. De werkloosheid is de afgelopen vier jaar gestaag gedaald, van meer dan 7 procent in 1992 tot 5,4 procent nu. Clinton is niet gezwicht voor de verleiding om Alan Greenspan, de voorzitter van de Fed, onder druk te zetten om de rente te verlagen en zo de economische groei te stimuleren. Ook toen de Fed de rente verhoogde, onthield de president zich keurig van commentaar. Voor een periode van economisch herstel mag een groei van 2,7 procent per jaar bescheiden zijn, maar de inflatie is vier jaar lang laag gehouden - voor dit jaar wordt 3 procent verwacht.

Na aanvankelijke aarzelingen heeft Clinton zich ook aangesloten bij de roep om het volledig wegwerken van het begrotingstekort. De afgelopen vier jaar is het tekort met ruim zestig procent teruggebracht tot 107 miljard, een grotere reductie dan de halvering die hij had aangekondigd. Wel heeft hij daarvoor de belastingen moeten verhogen in plaats van verlagen, zoals hij had beloofd.

Wall Street toonde zijn vertrouwen in het beleid van de president met enorme stijgingen van de aandelenkoersen. Vorig jaar steeg het Dow-Jones-gemiddelde tot boven de 5.000-grens, deze maand passeerde de belangrijke graadmeter voor industriële activiteit de 6.000 punten. De export groeide fors. De dollarkoers was stabiel.

Maar ondanks al die mooie cijfers zijn veel Amerikanen nog altijd zorgelijk over hun economische vooruitzichten en die van hun kinderen. Vier jaar geleden wierp Clinton zich op als beschermer van de 'vergeten middenklasse', die het gevoel had steeds harder te moeten werken voor hetzelfde inkomen. Nadat Clinton de verkiezingen had gewonnen, maar nog voor zijn inauguratie, belegde hij in Little Rock al een economische topconferentie. Met zo'n driehonderd economische deskundigen en politieke geestverwanten boog hij zich over het beleid dat de Amerikaanse economie er weer bovenop moest helpen. Het was een signaal dat economisch herstel een van de prioriteiten van zijn regering zou worden. Hij beloofde een 'nationale economische strategie' die de middenklasse weer hoop zou geven.

Maar Clintons beleid noch de stabiele economische situatie hebben de vrees van veel van zijn leeftijdgenoten kunnen bezweren, dat zij de eerste generatie in lange tijd worden die het slechter heeft dan de vorige. Steeds meer Amerikanen ontdekken in hun directe omgeving dat werknemers na jaren van trouwe dienst door een florerend bedrijf aan de kant gezet kunnen worden, met als enige reden dat een nieuwe ontslagronde is aangebroken in de vrijwel permanente reorganisatie die in veel organisaties woedt. In een derde van de huishoudens heeft de afgelopen vijftien jaar tenminste één gezinslid zo zijn baan verloren.

Tot massale werkloosheid heeft dat niet geleid, want de banengroei overstijgt nog altijd het banenverlies van de afslankingsoperaties. Maar wel heeft het de middenklasse vertrouwd gemaakt met een economische onzekerheid waar vroeger vooral de arbeidersklasse onder gebukt ging. Daar komt bij dat de lonen, als de inflatie wordt verrekend, al jaren stagneren of zelfs licht dalen. En de kloof tussen de inkomens van arm en rijk blijft groeien.

De gevoelens van onvrede en angst die door dat alles zijn gevoed werden begin dit jaar tijdens de Republikeinse voorverkiezingen goed aangevoeld door de conservatieve populist Pat Buchanan, die er zijn campagne op baseerde. Dole speelt er nu ook op in, met zijn klacht dat in steeds meer gezinnen beide partners gedwongen zijn om te werken: de een om in het levensonderhoud te voorzien, de ander om de belastingen te kunnen betalen.

Dat veel Amerikanen niet delen in het optimisme over de economie dat de meeste deskundigen uitdragen, heeft niet alleen te maken met de toegenomen onzekerheid over werk en inkomen. Het ligt ook aan de geringe bekendheid met de feiten en het wijdverbreide wantrouwen van officiële statistieken. Een kwart van de Amerikanen, zo bleek deze maand uit een onderzoek van The Washington Post, schat bijvoorbeeld dat de werkloosheid 25 procent bedraagt - bijna vijf keer het werkelijke cijfer en evenveel als op het dieptepunt van de Grote Depressie. Ruim tweederde gelooft, eveneens ten onrechte, dat het begrotingstekort de afgelopen vijf jaar is gegroeid in plaats van gedaald. En bijna de helft meent dat ook de inflatie - die gemiddeld op 13,5 procent wordt geschat, in plaats van 3 procent - de afgelopen jaren is toegenomen. Toch durft Clinton het kennelijk aan om de kiezers op te roepen hun huidige situatie te vergelijken met die van vier jaar geleden. Hij vertrouwt erop dat ze ondanks alle sombere gevoelens niet doof en blind zijn voor de tekenen van economisch herstel. De lage rente-stand bijvoorbeeld heeft meer dan tien miljoen huiseigenaren de afgelopen vier jaar aangezet om hun hypotheek opnieuw te financieren. Wie zijn baan verliest komt in de meeste gevallen binnen een jaar wel weer aan de slag. En de armste Amerikanen, wier leven doorgaans niet beroerd wordt door lagere hypotheekrente of werkgelegenheid in nieuwe groeisectoren, laten bij verkiezingen nu eenmaal zelden van zich horen.

Clinton kan de Amerikanen voorhouden dat ze met hem vier jaar van betrekkelijke rust in de economie achter de rug hebben. Een tweede termijn voor de president lijkt het voordeel van een zekere voorspelbaareid te hebben. Een keuze voor Dole betekent een breuk met de huidige ontwikkeling en zou, zo laat de president niet na te beklemtonen, een sprong in het duister zijn.

Als de opiniepeilingen gelijk hebben zijn de Amerikaanse kiezers gevoelig voor dat argument. Zelfs Dole's verleidelijke belofte om de inkomstenbelasting met 15 procent te verlagen, lijkt de meeste Amerikanen niet aan te spreken. Ze geloven niet dat de belastingverlaging mogelijk is zonder het begrotingstekort opnieuw op te stuwen. Het enorme tekort dat in de jaren tachtig ontstond na de belastingverlagingen van Reagan fungeert nog steeds als schrikbeeld.

Maar het verantwoordelijke financiële beleid dat Clinton belooft, gaat geruisloos voorbij aan een van de grootste problemen die de overheidsfinanciën te wachten staan. Met het ouder worden van de zogeheten babyboom-generatie treedt steeds duidelijker aan het licht dat het beroep op verschillende uitkeringen zó groot wordt, dat drastische hervorming (lees: inkrimping) noodzakelijk is om de zaak betaalbaar te houden. Maar de president heeft nu juist zijn politieke wederopstanding in belangrijke mate te danken aan zijn verzet tegen de Republikeinse plannen om de groei enigszins te beperken van de uitgaven voor Medicare en Medicaid, de ziektekostenverzekeringen voor respectievelijk oudere en arme Amerikanen.

Beide kandidaten hebben zich gehaast te verzekeren dat aan de oudedagsvoorziening Social Security niet getornd zal worden. Nòg zoveel deskundigen mogen beweren dat de uitkering op de helling moet om te kunnen overleven, in een campagne is dat een onaangename waarheid die geen kandidaat zijn kiezers graag onder de neus wrijft. Dat de belanghebbende kiezers, in dit geval de ouderen, doorgaans ook nog eens in groten getale naar de stembus gaan, versterkt de schroom van de kandidaten alleen nog maar. Als enige kaart de kandidaat van de Hervormingspartij, Ross Perot, het probleem af en toe openlijk aan.

Het enige grote onderdeel van de verzorgingsstaat waarvan Clinton de hervorming wel aandurfde, na lang talmen, was de bijstand. Maar al snel nadat hij het Republikeinse wetsvoorstel had getekend dat de verantwoordelijkheid voor de bijstand grotendeels overdraagt aan de deelstaten, liet hij weten dat de nieuwe wet op somige punten te hard was. In een tweede ambtstermijn, zo beloofde de president, zal hij zorgen dat de scherpe kantjes er van af worden gevijld.

Met die geruststelling aan geschrokken bijstandgerechtigden richtte Clinton zich indirect tot alle Amerikanen die een of andere uitkering ontvangen van de overheid - en in de helft van alle families is zo iemand te vinden. Het was alsof de president tegen iedereen die ziet aankomen dat er - wat de kandidaten ook beweren - toch bezuinigingen en hervormingen voor de deur staan wilde zeggen: ook als je het niet beter hebt dan vier jaar geleden, stem toch op mij want ik ben de beste garantie dat je het over vier jaar niet slechter hebt dan nu. Ik zal ervoor zorgen dat de eventuele aanpak van de uitkeringen niet met de harde hand gebeurt.

Clintons economische beleid is slechts voor een klein deel het uitvloeisel van de plannen waarmee hij in 1992 aantrad. Hij was niet van plan zich op te werpen als kampioen van het terugdringen van het begrotingstekort. Maar de omvang van het tekort, de brede politieke roep om het gat te dichten en de Republikeinse meerderheid die in 1994 het Congres overnam stuurden hem in de richting die hij nu koerst.

De economische conjunctuur zat hem mee. Het herstel had al in het laatste jaar van George Bush ingezet, maar werd pas later duidelijk zichtbaar. Maar toch was Clintons rol bij de gunstige economische ontwikkeling niet alleen die van een toeschouwer met een dosis geluk.

Indachtig de fameuze vermaning die tijdens zijn campagne in 1992 een gevleugeld woord werd, The economy, stupid!, gooide hij herhaaldelijk zijn politieke gewicht achter impopulaire maatregelen waarvan hij op den duur een gunstig economisch effect verwachtte. Met zijn steun voor de bijstandshervorming joeg hij een deel van zijn achterban tegen zich in het harnas. De priorteit die hij gaf aan terugdringing van het begrotingstekort boven kostbare stimuleringsmaatregelen, waarmee een Democratische president nu eenmaal makkelijker eer zou inleggen bij zijn achterban, stelde velen aanvankelijk teleur. En Clintons inzet voor goedkeuring van het vrijhandelsakkoord NAFTA, waartoe zijn voorganger Bush het initiatief had genomen, leverde hem niet alleen de toorn op van Pat Buchanen, Ross Perot en hun diverse aanhang, maar ook van de vakbonden, traditioneel Democratische bondgenoten.

Als de Amerikaanse kiezers zich volgende week de vraag stellen of ze beter af zijn dan vier jaar geleden, zal het antwoord in veel gevallen geen eenduidig Ja zijn. Maar ook een Ja, maar..., en zelfs een zuinig Het had slechter gekund, kan voor Bill Clinton voldoende zijn om als eerste Democratische president sinds Franklin Delano Roosevelt gekozen te worden voor een tweede ambtstermijn.

    • Juurd Eijsvoogel