Museumdirecteur Rudi Fuchs: 'Het ergste van vreemdgaan is de ontrouw aan jezelf'

Wat geloven we, wie vrezen we en waarom beminnen we? Frénk van der Linden spreekt met mensen die door overtuiging of ervaring een bijzonder inzicht hebben in geloof, dood of liefde. Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam: 'Ik ben een moralist - met genoegen en zonder een spoor van schaamte.'

Mensen zijn bang voor me, omdat ik verlegen ben. Zeg maar tegen schuw aan. Bij openingen in het museum ril en tril ik. Ik acht het mijn taak uit te leggen dat Mondriaan de grootste schilder van de twintigste eeuw is, maar het zweet loopt over mijn rug. Eigenlijk durf ik niet eens naar het boekenbal. Ik zie mezelf daar nog staan, samen met Harry Mulisch aan zo'n hoog, rond tafeltje. Verlegen mannen onder elkaar, ogenschijnlijk bars en badend in zekerheid. Om ons heen een grote kring niks, een leegte, een sociaal mijnenveld. Wij kunnen er niet doorheen naar de anderen, de anderen kunnen er niet doorheen naar ons. Want: eng.

Sommigen hebben een aangeboren assertiviteit. Hard praten, niet aarzelen, mes op tafel. Ze zijn dáár geweest, hebben dít gezien, weten zéker dat... Die Bolkesteinse vorm van aplomb mis ik. Bij ons thuis was dat geheel afwezig. We waren een eenvoudig Brabants gezin, geruisloos, teruggetrokken. Dienstbaar moest je zijn. Mijn moeder werkte als Rode Kruis-vrijwilligster in ziekenhuizen. Mijn vader was een ambachtsman: instrumentmaker bij Philips. Hij construeerde de apparaten die uitvinders in het laboratorium hadden verzonnen. Eind jaren veertig bouwde hij het eerste proefmodel van de bandrecorder. Een bakbeest; het paste nauwelijks bij ons op de keukentafel.

Wat wilden mijn ouders? Waar streefden ze naar? Wat was hun diepste verlangen? Ik ben er nooit achter gekomen. Ze hadden elkaar ontmoet in een supportersbus, op de terugweg van België-Nederland. Ik vermoed dat ze een soort bescheidenheid in elkaar herkenden: de wens rustig te bestaan en kinderen op te voeden, meer niet. Na hun pensionering zouden ze de winters in Spanje gaan doorbrengen. Dat droompje hebben ze welgeteld één keer beleefd, want mijn moeder kreeg kanker en stierf - amper zestig. In wezen overleed mijn vader toen ook. Hij zou 85 worden, maar hij wilde niets meer. Vijfentwintig jaar wrok, vijfentwintig jaar woede, vijfentwintig jaar kankeren. Hij was min of meer christelijk door het leven gegaan: Nederlands Hervormd, ouderling, kerkvoogd. De dag na dood van mijn moeder trapte hij de dominee de deur uit. 'Opsodemieteren met je klote-god.' Plotseling schudde hij dat angstige pantser af. Míj is het nog nooit gelukt. Misschien moet ik zeggen: ik ben er nog nooit toe gedwongen.

Ik was een teleurstelling. Mijn ouders hadden me het liefst ingenieur zien worden. Waarom wilde ik dat nou niet? Er bestond toch geen mooier beroep dan bruggenbouwer? Zonder bruggenbouwers lag gans het naoorlogse raderwerk stil, zonder bruggenbouwers zou Nederland niet herrijzen! Op het gymnasium koos ik braaf de bèta-richting, maar al snel begon ik gedichies te schrijven. En romans. Joost mag weten waar die Hugo Claus-imitaties ook alweer over gingen. Ik las ze voor aan mijn poëzie-minnende vrienden, met wie ik Goudse pijpen rookte en aan het eind van zo'n avond strontziek de trap afstommelde.

Toen ik begin jaren zestig naar Leiden vertrok om Nederlands te studeren, en na een jaar overstapte op kunstgeschiedenis, sneed ik de navelstreng definitief door. Ik kwam terecht bij professor Van de Waal. Een briljant pedagoog, een genie. Ik hield van die man. Van zijn serene natuur, zijn zachtmoedigheid, zijn oog voor details. Ik, wetenschappelijk medewerker, was de uitverkoren assistent. Mijn adagium dat er geen essentieel verschil is tussen Da Vinci en Matisse, tussen een ikoon uit de dertiende eeuw en een vandaag gemaakt schilderij, komt van hem. Zoals zovéél. Nadat Van de Waal zijn laatste adem had uitgeblazen - op een zaterdagmiddag, terwijl hij in de tuin rommelde met jonge plantjes - belde zijn vrouw me op. Ik moest het direct weten. Pas op dat ogenblik drong tot me door welke lading onze verhouding had.

Van de Waal was een concentratiekampslachtoffer. Opgepakt, Vught, Westerbork, Theresienstadt, overleefd. Een in alle opzichten gewond man: slapeloze nachten, lichamelijke klachten, diëten. De nazi's hadden het zetsel van zijn levenswerk vernietigd, Vaderlandsche geschied-uitbeelding 1500-1800, twee dikke delen. Na de oorlog moest hij dat bladzijde voor bladzijde reconstrueren. Als joodse geleerde hoopte Van de Waal in de traditie van de rabbi's dat het oudste kind van het mannelijk geslacht zijn fakkel zou overnemen. Maar die jongen had niets met kunst. Wel beschikte hij over een waanzinnig ontwikkeld reukvermogen - hij verwierf bekendheid als een grote neus in de parfum-industrie. Dus week Van de Waal uit naar mij. Ik werd zoon. En hij was mijn tweede vader, mijn spirituele. Maar hem opvolgen als hoogleraar bleek onmogelijk: ik was een niet-gepromoveerde Rembrandt-geleerde met een fascinatie voor hedendaagse kunst. Nee, géén pijn dat het zo liep. Hooguit een vervelende formaliteit. Het universitaire klimaat is schitterend, maar ik pas beter in een museum.

Als ik een schilderij zou zijn, zat je tegenover een Goya. Laat-achttiende eeuws portret van een tamelijk achterdochtige, ernstige man. Ik ben een moralist - met genoegen en zonder een spoor van schaamte. In het Eindhoven van mijn jeugd zag je vrijwel geen auto's; nu heeft iedereen Internet. Die moderne wereld, waarin jaarlijks meer verandert dan vroeger in een halve eeuw, en waarin ik niemand gelukkiger zie worden, ontwijk ik. Ik ben conservatief. Ik identificeer me met iets waardigs: met kunst, de zuiverste aller menselijke pogingen om los van modes de werkelijkheid en de waarheid te verbeelden. Kunst is de hoogste vorm van herinnering aan wat geweest is, én aan alles wat nog zal komen.

Niets verdriet mij meer dan het feit dat kunst en mode de laatste jaren verweven raken. Er wordt zoveel nieuws bedacht dat het goede erin oplost. Deze zomer heb ik kwaad zitten kijken naar de openingsshow in Atlanta: technische hoogstandjes, rare balletten, spektakel, maar waar bleven de verklaringen over de verbroedering der atleten en de vrede op aarde, waar was de statigheid? De klassieke ceremonie is toch niet voor niets ontstaan? Hectiek, haast, holheid: dat zijn vandaag de dag de trefwoorden. Dit is geen tijdsgewricht waarin men een park aanlegt en rustig laat groeien. Hier spreekt een mopperende ouwe zak; ik ben alleen nog maar ergens tegen.

Ja, Maarten Biesheuvel heeft een keer gezegd dat ik op weg was een Napoleonnetje te worden. Die tendens zet door, en ik vind het niet erg. Ik heb nooit enige afkeer gehad van Napoleon. Ik herken me in zijn bezorgdheid over de chaos, de onbestuurbaarheid en de teloorgang van waarden. En wat er ná hem kwam - de restauratie -, was dat zoveel beter? Nee, laat mij maar Napoleon zijn. Ik vind het een geuzentitel. Stalin: óók zo'n man die te makkelijk is weggezet als bloeddorstig potentaat. Ik heb er moeite mee dat Petersburg geen Leningrad meer heet. Alsof Lenin geen grote figuur was! De ontaarding van het communisme wordt nu gebruikt als excuus om alle idealen overboord te gooien - met uitzondering van het streven naar persoonlijk geluk en zelfverrijking. We zijn bezig de volgende dictatuur te creëren: die van het egoïsme.

Ik heb een groot ontzag voor burgerlijk fatsoen. Sterker, het is mijn richtsnoer. Redelijkheid, rechtschapenheid, gematigdheid, standvastigheid, vrijgevigheid: het wordt allemaal ten onrechte beschimpt. Mijn moeder was overtuigd sociaal-democraat, in de jaren dertig demonstreerde ze zwaaiend met een rode tulp tegen de crisis. Ik heb me van de PvdA afgewend, ik kan niet tegen dat gebrek aan twijfel, dat rechthaberische, maar haar ambities zijn nog altijd de mijne. Mijn vader stemde zo lang het kon op de intens-keurige Christelijk Historische Unie en luisterde veel naar G.B.J. Hiltermann. Een prima huwelijk van verschillende invloeden. Ik belichaam het.

Ik had graag theologie gestudeerd. Omdat ik de meest dominerende factor in de Westerse cultuur wil doorgronden. En omdat ik daarmee aan zelfinzicht zou winnen. De tien geboden zijn wáár, heb ik met schade en schande geleerd. Eerst wil je daar niet aan. Nelleke, mijn vrouw, afkomstig uit een humanistisch milieu, meent dat mensen van nature goed zijn. Volgens haar leidt godsdienst tot louter moord en doodslag. Maar dan heb je het over de kwalijke invloed van de kerk - niet over religie. Ik ben geen gelovige, ik zou niet weten wie God is, maar ik besef dat er weinig valt af te dingen op de judeo-christelijke ethiek. Beduvel maar eens iemand, beroof maar eens een bank, knal maar eens iemand neer: je voelt aan je water dat het niet deugt. Gij zult niet doodslaan - zo ís het toch gewoon?

Als een zoon op modern-hardhandige wijze zijn vriendin aan de dijk zet, komt er iets in mij overeind. Daar móet ik wat van zeggen. 'Zo hoort dat niet, jongen. Je mag andere mensen geen pijn doen.' Mezelf spreek ik ook zo toe: 'Niet liegen, Rudi. Foei!' En: 'Uiteráárd moet je dat bedrag aan de belasting opgeven, schoft.' Van zulke zaken kan ik wakker liggen. Overspel, vreselijk. Maakt me nerveus en bang. Je bezoedelt het heilige, het verbond. Ik voel mezelf op zulke momenten ronduit schuldig. Nog meer tegenover mezelf dan tegenover Nelleke. Het ergste van vreemdgaan is de ontrouw aan je eigen geweten, aan jezelf.

Dit is mooi - dús goed', heeft Kounellis ooit over een kunstwerk gezegd. Wat zie je als je Seven Figures van Bruce Nauman bekijkt? Feitelijk niets meer dan een neonsculptuur, gevormd door mensen die in verschillende houdingen op elkaar zijn aangesloten: een geslacht in een vagina, een geslacht in een mond, enzovoorts. Het computerprogramma doet verschillende segmenten van dat werk oplichten en doven, waardoor je een indruk krijgt van continue copulatie. Waarom is dat nou mooi en goed? Dat werk concentreert niet alleen de kunst van de hele twintigste eeuw - van flakkerende kubistische vlakken tot elementaire Mondriaankleuren -, het vermengt ook de realiteit van de condition humaine met een persoonlijk, ironisch commentaar. Nauman vat het leven samen. Hij léért ons, onnadrukkelijk, simpelweg door te tonen. Leren is intrinsiek goed. Leren is een kans op vooruitgang in de hogere zin van het woord.

Ik heb zelf geschilderd, als jongen. Op de achterkant van behang. Dieren. Landschappen. Gezichten. Geïnspireerd door twee ooms die amateurschilder waren. Ik herinner me dat ik mijn moeder op een zonnige middag vroeg of zij bij ons achter met naakt bovenlichaam wilde poseren. Ze was 43, maar ze deed het. Voor ik het wist liet ze - hup, vertederend routine-gebaar - haar plastron zakken. Zij vond het niet raar, ik vond het niet raar. Terwijl het toch de eerste borsten waren die ik in mijn leven zag. Met erotiek had het niets te maken: het was voor de kúnst, meneer.

Waarom is die ontwikkeling niet doorgegaan? Waarom ben ik kunstpaus geworden - laat ik dat nou maar toegeven - in plaats van kunstenaar? Helemaal gespeend van talent was ik niet. Maar wat ontbrak was het vermogen de eenzaamheid te doorstaan. Dat is een ontbering waarop ik niet ben gebouwd. Jan Dibbets, mijn beste vriend, heeft die capaciteit wel. In de periode dat hij zijn later alom gekopieerde perspectiefcorrecties schiep, trok hij als het ware door de woestijn: tekenles gegeven op kleuterscholen, BKR-armoe, uitgelachen, noem maar op. Dwars tegen de hoon in ging hij door. Gigantische bewondering heb ik daarvoor. Alleen zó kun je het woord van Seamus Heaney waarmaken: 'Een goed kunstwerk is ondenkbaar als het nog niet bestaat. Maar wanneer het eenmaal bestaat, wordt het ondenkbaar dat het er niet zou zijn.'

De kunst van het lijden, de kunst van het wachten, de kunst van het laten rijpen - een geestelijke houding die ook materieel kunst oplevert: ík versta haar niet. Als ik een half uur in mijn studeerkamer tussen de boeken zit, gaat het kriebelen. Dan moet ik mensen zien, van alles bespreken, dingen regelen. En 's avonds, aan het eind van zo'n drukke dag in het museum, hang ik uitgeput voor de televisie. Voor mij is een aflevering van Der Alte een godsgeschenk.

Nu draai ik het verhaal om. Hoe komt het toch dat veel intelligente, fijnbesnaarde kunstenaars in de persoonlijke sfeer vaak zulke onmogelijke, ergelijke mensen zijn? Die vraag stel ik mezelf regelmatig. Daarmee kom je bij de crux van de zaak. Kunstenaars zijn pur sang egocentristen, moeten dat ook zijn. Cru gezegd: al wat telt is hun werk, hun artistieke passie. Redeneren ze níet zo rigide, dan komen ze die woestijn van loneliness niet door. Je zou dus met recht en reden kunnen zeggen dat ik... ja, dat ik geen kunstenaar ben geworden omdat ik te weinig egocentristisch ben.

Vroeger liep ik als kunsthistoricus en museumman voortdurend te vergelijken: wie is de beste schilder, wie de superieure beeldhouwer? Dat vond ik indertijd belangrijk. Door mijn oordelen verhief ik mezelf. Tegenwoordig kijk ik naar wat interessant is - voor mijn part in antropologisch opzicht. Ik ben bezig een tentoontelling samen te stellen van Surinaamse kunstenaars. Daar zit niet één echt goeie bij, maar ik vind het een intrigerend fenomeen. Suriname is modder, een tropisch soor Zeeland. Wat straks in het Stedelijk te zien zal zijn, is een traag in die modder vastgelopen variant op de Nederlandse schilderkunst. Ik heb respect voor dat geworstel: ik bewonder de moed die het vergt. Dat mag gezien worden. Geloof het of niet, maar óók ik ben uiteindelijk een dienstbaar mens.

Ik werd verliefd op Nelleke in een museum. Ze was getrouwd met een kennis van me in Leiden, woonde niet ver bij mij vandaan. Het jaar daarvoor had ik iets gekregen met een Amerikaanse studente die hier op zomercursus was. Michel Natascha Schwarzkopf. Onvergetelijke naam. Ik ben nooit makkelijk geweest met vrouwen; zij en ik hadden een platonische verhouding. Tijdens een tussendoor-ontmoeting in Parijs was die vertaald in vleselijkheid, zij het niet wildwest-achtig. Op een avond ging mijn telefoon: de volgende dag zou Natascha weer naar Nederland komen. Ik wist zo gauw niet wat ik er mee aan moest. Nelleke gebeld: 'Ga jij in godsnaam met ons mee naar het Frans Hals in Haarlem, dan heb ik wat aanspraak'. Absurdistisch uitstapje. Ik vertelde maar raak in dat museum - ik stond erom bekend dat ik goed college kon geven. Natascha hoorde wat ik zei: Nelleke begreep het. Dat gaf rapport. Adieu Natascha.

Waarom hou ik van Nelleke? Om haar strengheid, haar tegenspraak, haar totale gebrek aan vrees voor mij. Ze is m'n beter ik. Nelleke kan me in liefde genadeloos op mijn falie geven. Claes Oldenburg definieert kritiek als de hoogste vorm van vriendschap. Daar komt bij dat Nelleke erg praktisch is: ze doet de financiën, het huis, de agenda. Voor een redelijke chaoot als ik is dat heerlijk. We zijn zo'n beetje wereldkampioen levensdelen, dertig jaar getrouwd, een symbiotische relatie, een cultuurhuwelijk ook. Nelleke is vertaalster, de beste. Literatuur, filosofie: ze kan het allemaal. Ik bewonder haar. Ook omdat ze het met mij uithoudt. Waarom bemint Nelleke mij? Geen flauw idee. Nooit gevraagd. Niet vanwege mijn goddelijke verschijning, mogen we aannemen

Ik heb een gekke relatie met mijn lichaam. Het is een last die ik meesleep. Mijn moeder reed in 1936 op een damesfiets naar Berlijn om de Olympische Spelen te bekijken. Ze was zeer sportminded, fanatiek turnster, elke dag zwemmen. Mijn vader tenniste. Ik moest ook wat. Dan maar een tijdje schermen, dat was in ieder geval geen teamsport. Na de universiteit werd ik dikker. In het begin vond ik dat uitdijende vlees dégoutant. Je treurt, je kijkt met afgunst naar slanke, Apollo-achtige jongemannen die van de mode-pagina's spatten. Op den duur verschuift het accent naar het ongemak waarmee je in je vel zit. Mijn proporties zijn bizar, te kort benen, forse romp, nauwelijks een nek, rond voetbalhoofd. Kleding was lange tijd een probleem. Maar een paar jaar geleden ontmoette ik mijn redder: een Londense kleermaker. Zo'n man die eerst - ahum - een intake-gesprek met je voert. Na wat gedelibereer ben ik uit de standaardpantalon gestapt. Vooral omdat mijn buik over de rand puilde en de riem lelijk in de huid sneed. Kijk, ik heb nu een hele hoge, wijde broekband. 'Sir', zie die Britse kleermaker na het passen, 'I don't want you to curse me after dinner.' Waarop hij me bretels overhandigde. Anders sta ik na een flinke maaltijd in mijn onderbroek. Ik heb inmiddels vijf van deze pakken, draag niets anders meer. Eindelijk voelt mijn lichaam een beetje...wèg.

Het moment van de grootste schaamte was halverwege de jaren tachtig. In het eerste nummer van de Playgirl, een seksblad voor vrouwen, werd ik uitgeroepen tot een van de tien meest sexy mannen in Nederland. Ze verzochten me mee te werken aan die publicatie. 'En als ik weiger?, vroeg ik. 'Dan doen we het tóch', zeiden ze. Zelfs in mijn familiekring veroorzaakte het hilariteit. Ze lachten zich te pletter. Uiterst vernederend. Daar stond ik, gereduceerd tot het bewijs dat macht een afrodisiacum is.

De belangrijkste levensles dei ik heb geleerd, is dat je niet kunt vertrouwen op de eerlijkheid van anderen. Ik ben een zondagskind. Fijne jeugd gehad, prachtige studententijd, formidabele leermeester, droomcarrière. Er is maar één deuk: de affaire Den Haag, de kwestie van de budgetoverschrijding in mijn laatste maanden als directeur van het Gemeentemuseum. De beschuldigingen - bewust tekorten laten ontstaan, financieel wanbeleid - hebben mij zwaar aangegrepen. Het begon me te dagen dat ik niet langer kon uitgaan van andermans integriteit, want er werd aan alle kanten gedraaid. Dat wil zeggen: alle betrokkenen hadden hun eigen waarheid, maar mij werd geen waarheid gegund.

Dat men je fouten aanwrijft, alla. All in the game. Maar de Nederlandse pers heeft me aan de muur genageld als een criminele leugenaar. Het was karaktermoord, onder aanvoering van NRC Handelsblad. De krant waar ik verdomme al meer dan twintig jaar voor schrijf, heeft mij m'n onschuld ontnomen. Ik ben mijn geloof in de rechtvaardigheid van mensen kwijt. Als ik nu afspraken maak, stuur ik een bevestigingsbriefje. Báh. Ik ben nog geslotener geworden dan ik al was, nog meer op mijn hoede. Gelukkig overkwam het me op oudere leeftijd. Ik ben 54, raak tot mijn eigen verbazing gezegend met mildheid. Als je horizon in zicht komt, kun je het nodige relativeren. Zelfs zo'n enorme wond.

Ik ben bang voor de dood. Niet voor het sterven op zich, dat lijkt me reuze boeiend - jammer dat je er naderhand met niemand over kunt praten. Nee, ik ben bang voor de dood omdat ik niet weet wanneer-ie komt. Ik heb nog vijf, zes boeken te schrijven. Over Giotto, over Donatello, en over allerlei zeer grote hedendaagse kunstenaars die ik van dichtbij ken. Er gaat teveel verloren als ik het niet opschrijf. Ik gooi het telkens op een akkoordje met mezelf: ach, je wordt tachtig, je hebt genoeg tijd. Idioot natuurlijk, straks is het te laat

Mijn vader stierf twee jaar geleden in alle rust, weloverwogen: zelfs zijn kranten had hij keurig opgezegd. Kinderen en kleinkinderen waren goed terechtgekomen, niemand aan de drugs, hij kon wel gaan. Het leven was trouwens toch geen zak meer aan, en die prostaatkwaal werd ondraaglijk. Maar vlak vóór mijn vader stierf kunstenaar Donald Judd, de man die mijn estetisch geweten was, iemand die net als ik geloofde dat 'decente schoonheid' tot de fundamentele rechten van de mens behoort. en kort ná mijn vader stierf Ischa Meijer, die ik bewonderde om zijn brutaliteit. Twee dierbare vrienden, twee veel te vroege doden, twee mannen die in geen velden of wegen kláár waren. Mijn eindigheid is concreet gemaakt. Als mensen larger than life je zomaar ontvallen, ga je inzien dat er haast geboden is.

Ik lijd aan hyperventilatie. Stress, heeft de cardioloog geconstateerd. Ik ben een hypochonder, ik zag mezelf al in een kist liggen. Bij pijn in mijn buikstreek denk ik gelijk dat het kanker is. Niks aan de hand natuurlijk, maar het wordt tijd om gas terug te nemen. Langzaam maar zeker begint dat te lukken. Om twaalf uur naar je nest, minder op je schouders nemen, keuzes maken, accepteren dat je geen dertig meer bent.

Een aantal beslissingen neemt het leven zelfs bijna buiten jou om. De hijgerigheid lost automatisch op. Als de jaren gaan tellen, wordt seks bijvoorbeeld minder belangrijk. Seksueel ben ik sowieso geen erg uitbundig persoon, eerder geremd. Ik kan goed zonder. Mannen raken ook in de overgang, dat geeft een zekere bevrijding, een fysieke kalmte. Het bed is mooi, maar nog mooier is de geestelijke gelijkgestemdheid tussen geliefden.

Ik voel me écht een minnaar als ik een schilderij aanraak. Kunst praat niet terug, kunst is stil. Kunst permitteert jou ook te zwijgen. Op het gebied van de kunst voel ik me safe. Daar is geen reden voor verlegenheid.

    • Frénk van der Linden