Markten maken

Overal in de wereld worden overheidsbedrijven geprivatiseerd. Uitstekend, want een vrije onderneming werkt doorgaans efficiënter dan een overheidsbedrijf. Dat kan de kosten voor de consument op den duur drukken. Maar er is een andere kant aan de privatisering. Die moet wel plaats hebben in een markt met meer aanbieders en als die ontbreken moet zo'n markt worden gemaakt.

De Algemene Rekenkamer heeft er onlangs op gewezen dat dit niet in alle gevallen gebeurt. Dan dreigen de afnemers te worden opgescheept met een 'private' monopolist. Die kan zich bij de prijsstelling en dergelijke nog slechter gedragen dan een overheidsbedrijf.

Het maken van een markt is vaak moeilijker dan de privatisering zelf. Zo was de gedeeltelijke verkoop van de PTT (KPN)-aandelen wel een hele heisa, maar het scheppen van de nodige concurrentie is dat nog veel meer. Een recent voorbeeld is het tweede mobiele-telefoonnet. Dat vergde een ingewikkeld stuk begeleidende regelgeving en een zorgvuldig uitzoeken van een acceptabele kandidaat. Hetzelfde gold voor de keuze van twee nieuwe aanbieders voor de normale telefoondiensten. Meer dan bij de mobiele telefoon was daarbij bovendien de vraag van de infrastructuur aan de orde. Moeten de nieuwe aanbieders over een geheel eigen net beschikken of wordt KPN gedwongen om toegang te verschaffen tot een deel van zijn kabels? En hoe regelt men dat?

Soortgelijke overwegingen gelden bij de gehele of gedeeltelijke privatisering van de spoorwegen, het openbaar stads- en streekvervoer of van de nutsbedrijven voor gas en elektriciteit. De Angelsaksische landen hebben hier veel ervaring mee. Die ervaring heeft hen geleerd dat het creëren en in stand houden van werkelijk vrije markten heel wat moeilijker is dan het verkopen van een pakket aandelen. Op zichzelf lijkt dat eigenaardig. Een markt komt er toch vanzelf als de overheid een bepaalde dienst niet meer aanbiedt, zal een fervent voorstander van de markteconomie opmerken. Dat is maar een halve waarheid. De andere helft is dat de overheid met zijn regelgeving op bijna alle markten diepe sporen heeft achtergelaten. Dat is al begonnen met de middeleeuwse gildekeuren, die aangaven wie mocht produceren en hoe men dat moest doen. En die regulering is alle eeuwen voortgezet en heeft de economie bedekt met een loodzware deken van regels.

Ik geef u een voorbeeld. De markt op het plein bij in de buurt lijkt een vrije ontmoetingsplaats van vraag en aanbod, maar is dat allerminst. Ik sprak enige tijd geleden voor een zaal van ambulante handelaren, maar de echte marktkooplieden waren er schaars. Ze zeiden ook niet veel, zelfs de standwerkers waren zwijgzaam. Het hoogste woord hadden de marktmeesters, overheidsdienaren, intermediairs e.d., kortom allemaal regelaars met overigens de beste bedoelingen. Dit voorbeeld kan verduizendvoudigd worden. De overheid heeft een vaste greep op talloze markten. Denk maar aan de arbeidsmarkt die overladen is met regelgeving.

Deze regelgeving is echter doorgaans bedoeld om misstanden te voorkomen en om mogelijk zwakke partijen (de consument, de werknemer) te beschermen. Al dit soort regels, die vaak op verzoek van de betrokkenen zelf zijn gemaakt, hebben iets gemeen. Ze trachten de markt in goede banen te leiden, maar ze beperken wel de concurrentie, slechte en goede. Op dit gebied heeft de overheid een eindeloze ervaring. Betrekkelijk weinig ervaring heeft de overheid echter met het vrijmaken van markten, met het scheppen van voorwaarden voor zuivere concurrentie en met het transparant maken van vraag en aanbod. Dat nu kan opbreken bij de privatisering. Hier is meer aan de orde dan deregulering alleen. Kort door de bocht is dat het afschaffen van overbodige regels. Een goede zaak, maar regelgeving om de marktwerking te versterken is wat anders. Daarvoor moeten duidelijk herkenbare spelregels worden geformuleerd, waarbij de overheid veelal als arbiter zal moeten optreden.

Dat de overheid zo maar kan terugtreden en de nieuwe markten aan het vrije spel van krachten kan overlaten is dus een misverstand. Voor bescherming en betutteling moet arbitrage in de plaats treden. In Angelsaksiche landen wordt dit doorgaans overgelaten aan zgn. 'regulators', die min of meer onafhankelijk zijn van de overheid. In ons land is men de laatste tijd meer geneigd dit op te dragen aan overheidsinstanties omdat die beter te controleren zijn.

Ik geef nog een voorbeeld. Als wij de digitale snelweg uit Amerika willen navolgen, dan denken we aan veel techniek en aan miljarden guldens. Niet onwaar, doch het allerbelangrijkste is het opruimen in alle Europese landen van het web van regels waarin de nationale PTT's zich hebben ingesponnen. Dat moet worden vervangen door eisen over gezamenlijk gebruik van kabelnetten, condities voor het transport van berichten, voorwaarden voor de tariefstelling en dergelijke. Echte concurrentie op de digitale snelweg kan alleen maar als partijen een nieuw soort aanpak accepteren. Net als bij de effectenbeurzen moeten daarvoor aparte spelregels worden geformuleerd. Regels niet om te beschermen, maar om vrij te maken. Kortom, de golf van privatisering in de wereld en de vele nieuwe technieken vragen om omturning van de overheid. Minder aandacht voor het traditionele handwerk van bestrijding van misstanden op markten en het beschermen van bepaalde belangen. En meer accent op het werkelijk scheppen van de voorwaarden voor concurrerende markten.

    • Dr. J.E. Andriessen