In het spoor van een moedige pacifist

Binnen het Nederlandse protestantisme dat eergisteren herdacht dat Maarten Luther op 31 oktober 1517 zijn bekende 95 stellingen tegen de uitwassen van het katholicisme op de deur van de slotkerk in Wittenberg plakte, zijn de doopsgezinden een tamelijk vreemde eend in de bijt.

Aan 'hervormingsdag' wordt in hun kring nauwelijks betekenis gehecht. Niet alleen omdat doopsgezinden claimen dat hun aartsvader Menno Simons de enige echte Nederlandse kerkhervormer was, maar ook omdat diens volgelingen met de nazaten van Luther en Calvijn eigenlijk al net zo slecht overweg konden als met de aanhangers van de 'paapse hoererij'.

Het wordt daarom niet verwonderlijk genoemd dat de doopsgezinden zich op 31 oktober weinig aan de grote Reformatie gelegen laten liggen. Uitgerekend op die dag verscheen wel een boek en werd in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam een tentoonstelling geopend over de sporen die Menno Simons in de Nederlandse geschiedenis heeft nagelaten.

Al het hele jaar zijn doopsgezinden en buitenlandse geloofsgenoten die zich meestal 'mennonieten' noemen, in de weer geweest met evenementen ter viering en herdenking van het feit dat Simons vijfhonderd jaar geleden in Friesland werd geboren en van daaruit de Noord-Nederlandse en Noord-Duitse variant verspreidde van de wederdoperse of anabaptistische beweging die in Zwitserland was ontstaan.

Maar ondanks hun begrijpelijke trots op een rijk historisch verleden, moet men volgens de doopsgezinde theoloog dr. S. Voolstra (hoogleraar in Amsterdam in de christelijke geloofs- en zedenleer en in het vak mennonitica) wel bedenken dat van het principiële Nederlandse doperdom uit de 16de en 17de eeuw vrijwel niets is overgebleven.

Tot Voolstra's verdriet was de oorspronkelijk radicaal christelijke geloofsbeweging al in 1740 zo volkomen in de Nederlandse samenleving opgegaan, dat er anno 1996 vrijwel niets over is wat nog de naam 'doopsgezind' verdient. Sjouke Voolstra is een bekende dwarsligger binnen de doopsgezinde gemeenschap. Hij strijdt een wanhopige strijd om het behoud of het herstel van oude geloofswaarden, maar de uitdrukking 'terug naar ...' mag in dit verband volstrekt niet worden gebruikt. Voolstra wil vooruit in de doopsgezinde geschiedenis.

Menno Simons (1496-1561) had in 1536 de geestelijke moed om de restanten van een radicale beweging, die twee jaar eerder in het Westfaalse Münster alsook in Amsterdam en in Friesland en Groningen met geweld naar de macht had gegrepen om de heilstaat op aarde uit te roepen, om te buigen in pacifistische richting. Volgens Voolstra zijn doopsgezinden tegenwoordig mensen die elke vorm van religiositeit, hoe vaag ook, omarmen. Willen ze zich zelf nog overleven, dan zouden ze zich weer 'onder het schriftgezag' moeten stellen en zouden de bijbel weer moeten maken tot richtsnoer van hoe je als christelijke gemeente moet leven. Verder wijst hij erop dat veel van zijn geloofszusters en -broeders volkomen vrijzinnig en ondogmatisch zijn geworden en elke geloofsregel van de hand wijzen.

“Bij een voetbalclub kun je niet zonder spelregels”, zegt hij. “Anders wordt het een partijtje handballen. Zo kunnen geloof en kerk konden niet zonder strikte regels. Als we onze geloofsgemeenschap willen opbouwen of vernieuwen, dan moeten we selectief worden. Niet iedereen hoort erbij; niet iedereen die eventueel mee zou willen doen, wordt toegelaten. Anders wordt het een soort religieuze muzikale fruitmand met voor elk wat wils.”

Van belang is in dit verband het onderscheid tussen (Nederlandse) doopsgezinden en (buitenlandse) mennonieten die in de regel veel strenger in de leer zijn. De Amsterdamse oud-predikante M.C. Stubbe schrijft in haar boek 'Mennonieten/Doopsgezinden' dat Nederlandse doopsgezinden, hoe aangepast en geassimileerd ze ook zijn, toch nog altijd leven vanuit de twee polen die elkaar afstoten en aantrekken: tolerant en radicaal.