Hollands Dagboek

J.C.H. Blom (53) werkt sinds 1970 bij de studierichting geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, vanaf 1983 als hoogleraar. In september werd hij benoemd tot directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie; daarnaast is hij één dag in de week hoogleraar Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is getrouwd met Ans Neuteboom en heeft twee zoons van 27 en 25 jaar.

Woensdag 23 oktober

Om 6.15 gewekt in een hotel in Münster, waar ik gisteravond een lezing hield. In de trein terug naar Amsterdam neem ik, drieëneenhalf uur niet gestoord, een flink deel van een concept-proefschrift door. Wat mij betreft kan de tekst nagenoeg ongewijzigd naar de beoordelingscommissie.

Op de Herengracht tref ik het instituut in wanorde. Wij gaan begin volgend jaar verhuizen en het is kijkdag voor de verkoop van de huidige panden. Een bonte stoet nieuwsgierigen en potentiële kopers trekt voorbij. Bovendien is er 's avonds opname van een Baantjerfilm.

NRC Handelsblad dringt zeer aan op een dagboek. Ik voel er in eerste instantie niets voor. De doorslag om het toch te doen, geeft de overweging dat het dagboek gelegenheid biedt om op enkele punten rond het Srebrenica-onderzoek wat uitleg te geven. Dat lijkt gezien de teneur van sommige persberichten en commentaren nuttig.

Om 13.00 uur vergadering van het bestuur. Hoofdonderwerp is een notitie met de 'visie' van bestuur en directie bestemd voor de Commissie Toekomst RIOD. Deze commissie onder voorzitterschap van E.H. Kossmann zal volgende week vrijdag het instituut bezoeken.

Om 15.00 uur Duitse les. Omdat ik in internationale contacten tot nu toe steeds 'broken English' sprak, is mijn spreekvaardigheid in het Duits zeer matig. Dat moet in mijn nieuwe baan anders worden.

's Avonds heb ik de 'beurt' in de Commissie voor Geschied- en Oudheidkunde van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde, een soort dispuut van historici uit Leiden en omgeving. Ik spreek over de ontstaansgeschiedenis van de voorloper van de IKON, het Interkerkelijk Overleg in Radio-aangelegenheden (IKOR). In december zal een boek verschijnen naar aanleiding van vijftig jaar IKOR/IKON, waaraan ik als redacteur en co-auteur van een hoofdstuk meewerkte.

Donderdag

's Morgens de jaarvergadering van het Koninklijk Historisch Genootschap en het begin van het congres over 'Het ontstaan van het moderne Nederland (1780-1830)' bijgewoond. 's Avonds gegeten met Gerhard Hirschfeld, een goede vriend die ik leerde kennen naar aanleiding van zijn boek over Nederland in de bezettingstijd. Hij is directeur van de Bibliothek für Zeitgeschichte in Stuttgart. Ik ben dus sinds kort zijn collega. Dit academisch jaar is hij fellow op het onvolprezen NIAS (Netherlands Institute for Advanced Studies) in Wassenaar.

Vrijdag

's Morgens eerst met een student, die ik nog begeleid, een concept-hoofdstuk van zijn scriptie besproken. Vervolgens beraad over de persconferentie die wij ons voorstellen te geven als donderdag 31 oktober de kamercommissies van Buitenlandse Zaken, Defensie en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het Srebrenica-onderzoek hebben gesproken. Bij die gelegenheid willen wij graag de nadruk leggen op een aantal zaken die in sommige perspublicaties wat onderbelicht zijn gebleven.

Ten eerste: Waarom heeft het RIOD begin september ook al weer in beginsel positief gereageerd op het verzoek van het kabinet? Centraal in deze afweging (er zijn natuurlijk ook nadelen) stond en staat, dat er in de samenleving kennelijk grote bezorgdheid bestaat over deze kwestie. Juist daarom meenden bestuur en directie een op ons gedaan beroep, als de condities gunstig zijn, niet te mogen afwijzen.

Ten tweede: Hoe dient men het voorstel van het kabinet en in het bijzonder de bijlage daarbij te lezen? Anders dan hier en daar wordt gesuggereerd, gaat het niet om beperkingen op grote schaal, maar om een uiteenzetting hoe zo groot mogelijke toegang tot de bronnen kan worden gegeven. Nederland kent een aantal wetten, die inzage in sommige documenten en/of publicaties daarvan ronduit verbieden. Aan die wetten moeten ook kabinet en RIOD zich houden (net als andere onderzoekers). In de bijlage wordt daarover een uiteenzetting gegeven. Er worden wegen aangegeven hoe - op bij mijn weten tot nu toe niet eerder vertoonde schaal - uitzonderingen zullen worden gemaakt. Elke met het contemporain historische onderzoek vertrouwde onderzoeker moet hierbij likkebaarden, lijkt mij. Anders gezegd, niet de (onvermijdelijke) beperkingen maar de mogelijkheden zijn opvallend in dit stuk. Daarom hebben bestuur en directie het kabinet laten weten een opdracht te zullen aanvaarden in het vertrouwen 'dat op grond van deze conditie in de praktijk maximale toegang tot de bronnen is verzekerd'.

Ten derde: Wat voor soort rapport is te verwachten? Historici zijn bij uitstek gewend om te werken met beperkte bronnen en (voor zeer recent materiaal) met in de wet stoelende bepalingen over openbaarmaking (vooral inzake privacy-bescherming, bronbescherming van inlichtingendiensten en internationale verplichtingen). Er zijn vele manieren om deze problemen op te lossen. De aard van eventueel (het zou wel eens erg mee kunnen vallen) ontbrekende informatie en de betekenis daarvan voor de reconstructie, analyse en interpretatie zullen precies worden aangegeven. De nadelen hiervan moeten niet worden overschat. Ook later onderzoek zal als gevolg van verloren gaan van materiaal, overlijden van potentiële informanten en vervormde herinnering gebreken met betrekking tot de bronnen vertonen. Overigens zal bij een gecompliceerd probleem als hier aan de orde is, één specifiek onderzoek nooit het laatste woord zijn. Wat ik hoop en verwacht is een rapport dat, in de gegeven omstandigheden zeer goed gedocumenteerd, het historisch verloop van de gebeurtenissen in de relevante context zo goed mogelijk zal reconstrueren en analyseren. Op grond daarvan kan desgewenst het debat veel beter geïnformeerd en op een hoger niveau dan thans het geval is, worden voortgezet.

's Middags naar Utrecht om te opponeren bij de promotie van Elsbeth Etty, die een heel mooi boek over Henriëtte Roland Holst schreef. Als voorzitter van de biografieëncommissie van het Prins Bernhard Fonds, dat een subsidie gaf, had ik zijdelings met het ontstaan van dit boek te maken. Ik doe tijdens de plechtigheid navraag naar het niet expliciet gegeven antwoord op de in de inleiding geformuleerde vraag 'waarom, hoe en wanneer het fout is gegaan' met het ooit zo idealistisch begonnen communisme.

Zaterdag

Gerhard Hirschfeld en zijn voor enige dagen uit Stuttgart overgekomen vrouw en kinderen zijn onze gasten in Leiden. Ans en ik laten ze de oude binnenstad zien. 's Avonds veel kranten gelezen.

Zondag

Vooral gelezen. René Appel schonk me zijn 'Het Geweten', omdat ik een paar keer met hem over het eerste jaar na de bevrijding had gesproken. Wat een schitterend boek: een intrigerend psychologisch vraagstuk, spannend en mooi geschreven. Daarnaast de vertrouwelijk ontvangen drukproeven van een interessant boek dat begin november zal verschijnen: Srebrenica: record of a war crime, van twee in Engeland werkende Nederlanders N. Both en J.W. Honig.

Maandag

Om 9.00 uur begonnen met directieoverleg over allerlei lopende zaken. Om 10.00 uur een gesprek met een nieuwe promovendus, die zich met een veelbelovend plan heeft gemeld. Om 11.00 uur een concepthoofdstuk van een proefschrift met de auteur besproken. Om 12.00 uur weer Duitse les. 's Middags correspondentie en nog even beraad over het Srebrenica-onderzoek. 's Avonds naar de officiële presentatie van de biografie van Henriëtte Roland Holst in De Rode Hoed.

Dinsdag

Gewekt met een verbazingwekkend bericht in de Volkskrant. In een agressief aandoende toonzetting kondigt Clingendael aan een eigen onderzoek te starten. Het RIOD zou daartoe niet bekwaam zijn. Omstreeks 9.00 uur bereik ik de directeur van Clingendael en vraag hem of dit bericht juist is. Hij bevestigt dat. We spreken ook kort over enkele inconsistenties die ik in het stuk meen te zien. Later op de dag nog eens een kort contact in een poging escalatie te voorkomen. Het staat Clingendael uiteraard volkomen vrij om onderzoek te doen. Verbazingwekkend blijf ik vinden dat men niet even contact zocht (zoals sommige andere instituten dat wel deden, in de meeste gevallen met de aanbieding van hulp en samenwerking). Ik zou zelf samenwerking prefereren boven (quasi)-concurrentie.

Later op de ochtend overleg in Zoetermeer (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) over het komende kamerdebat. 's Middags een opname bij de VPRO voor een programma voor zondagavond en nogal wat pers te woord gestaan (al werd het meeste bij mijn afwezigheid door 'perschef' David Barnouw en hoofdonderzoeker Peter Romijn behandeld). Aan het slot van de middag in een bijeenkomst van de onderzoeksafdeling het een en ander over het IKOR/IKON-onderzoek verteld. NRC Handelsblad publiceert een artikel van Hofland dat naar mijn idee goed aangeeft waarom een onderzoek zoals nu gepland wel degelijk heel zinvol kan zijn.

Woensdag

's Morgens op kennismakingsbezoek bij de Anne Frank Stichting. Het is in het instituut weer kijkdag, dus de verdere besprekingen worden bij de gastvrije buren van het Goethe-instituut gehouden. Eerst een 'off the record' gesprek met vertegenwoordigers van de landelijke dagbladen om hun alvast onze kijk op het onderzoek te geven en de mogelijkheid te bieden daarover vragen te stellen. De verwachting is dat de persconferentie morgen wellicht aan de hectische kant zal zijn en gedomineerd zal worden door radio en tv.

's Middags met de vrijwel complete groep die het onderzoek zal doen (één is in het buitenland) overleg hoe zo snel mogelijk echt van start te kunnen gaan als de opdracht formeel is gegeven. Tenslotte naar de informele presentatie van mijn bundel van eerder verschenen artikelen Burgerlijk en Beheerst. Over Nederland in de twintigste eeuw, die vandaag verschijnt. Uitgeverij Balans biedt een borrel aan voor een gezelschap dat bestaat uit mijn oude en nieuwe werkkring (de vakgroep Nieuwe en Theoretische Geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam en het RIOD) en enkele andere vrienden. Ik heb het boek aan mijn moeder opgedragen en geef haar het eerste exemplaar.

Donderdag 31 oktober

's Morgens eerst overleg over de onderzoeksschool Politieke Geschiedenis, waarvan ik nog directeur ben. Die functie zal ik binnenkort afstaan, omdat de combinatie met het directoraat van het RIOD niet goed gaat. Wel zal het instituut nauwe banden met deze onderzoeksschool behouden. Wij (mijn beoogde opvolger, een vertegenwoordiger van de Universiteit van Amsterdam die 'penvoerder' is, en ik) bespreken de precieze regeling na 1 januari aanstaande. Ingewikkeld, maar te doen. 's Middags naar Den Haag voor het kamerdebat.

Het Kamerdebat is een interessante combinatie van een voorspelbaar rollenspel van vertegenwoordigers van politieke partijen enerzijds, en pogingen serieus te bespreken hoe zinvol een onderzoek als voorgesteld nu is en welke problemen daarbij bestaan anderzijds. Het onderwerp (de kern van de zaak blijft toch een massamoord en de mogelijkheden inzicht te verkrijgen hoe deze heeft kunnen plaatsvinden) heeft een lading die al te eenvoudige pogingen tot politieke beentjeslichterij verhindert. De ministers verdedigen het voorstel met elan (of ben ik te partijdig?): Ritzen vooral zakelijk en overtuiging uitstralend over de onafhankelijkheid van ons instituut; Van Mierlo met een mooi pathos en een heldere uiteenzetting over de dilemma's waar hij voor stond; Voorhoeve indrukwekkend in zijn klaarblijkelijke vaste wil te achterhalen hoe het zo lopen kon als het liep (inclusief zijn eigen rol daarbij).

Vervolgens onze persconferentie. Ik probeer het gevaar al te veel de docerende professor te zijn (dertig jaar lesgeven verloochent zich niet) te vermijden. Of dat is gelukt staat te bezien. Dat moeten de uitzendingen en publicaties uitwijzen. Zelf heb ik het gevoel dat de boodschap, dat wij menen een serieus onderzoek te kunnen doen, redelijk overkomt. David Barnouw wijst er wel op dat ik de pers wat schoolmeesterachtig heb gezegd dat de stukken niet goed zijn gelezen. Na de persconferentie nog enkele tv- en radio-opnamen. Na afloop in Nieuwspoort nog wat gedronken en informeel met enkele journalisten en Kamerleden gesproken. Ook Ritzen komt, na zijn begrotingsbehandeling, nog langs. Even nagepraat. Omstreeks half twaalf naar huis. Morgen in de luwte een belangrijk overleg met de Commissie Toekomst. Meer dan alle commotie rond het Srebrenica-onderzoek zal deze Commissie van belang zijn voor de verdere ontwikkeling van het instituut.

    • J.C.H. Blom