Gerdie Keen

Een oor is niet het belangrijkste wapen dat een tafeltennisser in de strijd gooit. Maar vraag eens aan een dove speler wat hij mist omdat hij niet hoort hoe de bal wordt geslagen en waarmee de bal wordt geslagen. Nog niet zo lang geleden, toen het batje nog aan weerskanten met dezelfde kleur mocht worden beplakt, was het moeilijk raden met welke zijde werd geslagen.

Was het de snelle kant of de langzame kant? Al naar gelang de dikte van het rubber en de dikte van de lijm kon de snelheid van de klap worden bepaald. Hoorde men 'pok', dan kon worden aangenomen dat de snelle zijde werd gebruikt. Hoorde men 'plonk' dan was de langzame zijde aan slag en moest rekening worden gehouden met een effectvolle bal. Om de tegenstander af te leiden was een stamp van de voet gelijk met de klap van het batje een favoriete truc. Zodoende kon de tegenstander het geluid van de klap niet horen. Stampen is verboden geweest en tegenwoordig dient een batje met twee verschillende kleuren rubber beplakt te zijn. Een tafeltennisser kan nu zien of de tegenstander met de snelle of de langzame kant slaat. Maar het blijft raadzaam de oren open te houden, want niets is wat het lijkt. Een geslagen bal heeft meer effect dan je ziet. Tafeltennissers gebruiken hun oren meer dan ze zich bewust zijn. Pingpongen is zien en horen tegelijk.