Eiwitten maat voor de ernst van een hartaandoening

Als een patiënt met een acute, hevige, klemmende pijn op de borst (angina pectoris) in het ziekenhuis wordt opgenomen, kan dat wijzen op een gedeeltelijke of zelfs volledige vaatafsluiting in de kransslagaders. In dat laatste geval dreigt de hartspier deels te sterven (hartinfarct) en moet er snel worden ingegrepen.

In de praktijk blijkt het echter soms erg moeilijk om een volledige vaatafsluiting van een gedeeltelijke te onderscheiden, vooral als er geen typische afwijkingen in het elektrocardiogram te vinden zijn.

In het New England Journal of Medicine van 31 oktober staan twee Amerikaanse onderzoeken waaruit blijkt dat een bepaling van de eiwitten troponine I en T in het bloed goed bruikbaar is als een maat voor de ernst van het hartlijden. Deze cardiale troponinen reguleren het samentrekken en weer ontspannen van de hartspiercellen. Beide groepen onderzoekers hebben bij zo'n 2300 hartpatiënten de hoogte bepaald van de concentratie cardiale troponinen en vervolgens gekeken naar het uiteindelijke verloop van het ziektebeeld. Het bleek dat de troponine-concentraties in het bloed een directe indicatie vormen voor de ernst van de hartafwijking.

In het ene onderzoek (gebaseerd op de GUSTO II-trial, een studie die stolsel-oplossende medicijnen vergelijkt na een acute hartinfarct) nam de sterfte bij een verhoging van de troponine T-concentratie toe van 3,9% naar 11,8%. Bij het andere onderzoek (de TIMI III-trial, een studie naar medicatie en ingrijpen na een hartinfarct) was de totale sterfte wat geringer, maar ook daar vond men een overduidelijk verband tussen troponine en de kans om te overlijden. Bij sterk verhoogde concentraties troponine I was het risico om te sterven zelfs 7,5 keer zo hoog.

Het verband tussen de ernst van de hartafwijking en de cardiale troponinen is al eerder bij kleine aantallen patiënten onderzocht, maar nu heeft men het voor het eerst ook op grotere schaal uitgetest en bevestigd. De mogelijkheden van een troponine-meting moeten natuurlijk verder worden uitgebouwd om te zien of het inderdaad ook een therapeutisch voordeel biedt om te weten welke patiënten precies een ernstiger ziektebeeld hebben. Zo zou een hoge concentratie troponine gebruikt kunnen worden als een indicatie om snel in te grijpen met stolseloplossende middelen (trombolyse) of eventueel zelfs een reden zijn om de vaten direct met een ballonkatheter weer doorgankelijk te maken. Patiënten met een lage troponine-concentratie zouden juist beter terughoudend behandeld kunnen worden en eerder uit het ziekenhuis ontslagen.