Een uurtje met parasieten; Trek van kanoeten mede gedicteerd door noodzaak van steriele omgeving

De kanoet, een strandlopertje, pendelt van het westen van Afrika via de Waddenzee naar het noorden van Siberië om er te broeden. Niet alleen vanwege het voedsel, mogelijk ook omwille van de steriele leefomgeving.

William H. McNeill. De pest in de geschiedenis. De Arbeiderspers, Amsterdam 1986. ISBN 90 295 2951 2.

Theunis Piersma. Close to the Edge: energetic bottlenecks and the evolution of migratory pathways in Knots. Het Open Boek, Texel 1994. ISBN 90 70202 20 4.

Matt Ridley. The Red Queen: sex and the evolution of human nature. Pinguin Books, Londen 1994. ISBN 0 14 016 772 2.

WE TROFFEN ELKAAR in Den Haag bij de première van een film over rotganzen. Onze rotganzen eindelijk in hun broedgebieden, bovenin Siberië. Dus nestelend, op eieren en met kuikens in een streek waar de zomer weinig vriendelijker is dan bij ons de winter.

Na afloop liepen we alvast een eindje richting station. Op het Plein lag een terrasje in de schrille oktoberzon. We namen plaats, bestelden respectievelijk koffie en thee en zeiden nee dank u tegen het appelgebak, dat al dan niet met slagroom door de ober werd aanbevolen.

Onmiddellijk daarna kwamen de eerste wespen op ons af. Ja, zo moet je het je voorstellen: zo'n gesprek waarbij iemands zelfbeheersing voortdurend op de proef wordt gesteld door ongezeglijke insecten.

Theunis haalde een boek voor de dag. Matt Ridley, The Red Queen, Sex and the Evolution of Human Nature.

“Gaat het over mensen”, vroeg ik.

“Tot nu toe niet”, zei hij. Hij was namelijk pas halverwege. “Tot nu toe gaat het over geslachtelijke voortplanting bij planten en dieren.”

“Maar dat heeft wel met parasieten te maken?”

“Dat heeft alles met parasieten te maken! Het schijnt dat al dat door elkaar husselen van genen vooral bedoeld is om die beesten in de war te brengen.”

“Betekent dat”, zei ik, “dat iedereen in de natuur steeds bezig is zijn kaarten te schudden om te voorkomen dat parasieten vat krijgen op het spel? Of zeg ik het nu te simpel?”

Theunis, na een bliksemsnelle afweging van mogelijkheden: “Nee, daar komt het wel zo'n beetje op neer.”

Goed, hij was aan dat boek begonnen en nog niet halverwege of hij kreeg al een lumineus idee. Zondagochtend, halftien. Even later ging de telefoon en dat was ik. Theunis, zei ik plompverloren, wordt het niet eens tijd om over parasieten te praten?

Toeval?

Sommige mensen zeggen dat er geen toeval bestaat.

Maar dan kun je net zo goed zeggen dat er alleen maar toeval bestaat.

Wat mij betreft had het dus best toeval mogen heten. Daar stond in dit geval echter wel wat tegenover. Daar stond tegenover dat het onmiskenbaar in de lucht hangt. In de veldbiologie ritselt het op het ogenblik van de parasieten.

NU MOET JE WETEN dat Theunis geboeid wordt door het fenomeen van de vogeltrek. Zijn wetenschappelijke leven is grotendeels gewijd aan de kanoet, een strandlopertje dat via de Waddenzee pendelt tussen het noorden van Siberië en het westen van Afrika.

“Je probeert”, vatte hij nog één keer samen, “erachter te komen waarom een vogel op het ene moment aan de ene kant van de wereld moet zijn en op het andere moment aan de andere. Daarbij heb ik altijd sterk in termen van voedsel gedacht.”

Goed en genoeg te eten, dat is vanzelfsprekend een voorwaarde. Ontrafel je het voedingspatroon, dan ontrafel je de kanoet zelf. Heel verhelderend. Je begint een manier van leven te begrijpen, je ziet: het kàn. Maar je ziet tegelijkertijd: het kan maar nèt. De kanoet balanceert voortdurend op het scherp van de snede, de grens van zijn mogelijkheden en dat blijft dan toch knagen: waarom maakt hij het zich niet een beetje makkelijker? Waarom gaat zo'n vogeltje in het voorjaar helemaal door naar Siberië? Waarom trekt hij niet het binnenland van Friesland in? Waarom nestelt hij niet net als de grutto in onze weidegebieden?

Want dat moet je ook weten: zowel in Afrika als bij ons is de kanoet sterk gebonden aan zee, zout water. Als aan een touwtje gaat hij heen en weer met het getij. Alleen om te broeden, in Siberië, gaan ze landinwaarts.

Theunis: “We kregen een keer elf kanoeten binnen die in Zuid-Afrika waren gevangen en daar op het vliegtuig waren gezet. Toen we ze in een kooi deden, ging er één van dood. Die bleek een grote worm in de longen te hebben en dat bleek een worm te zijn uit zoet water.”

Nog zoiets: een kanoet die zich had doodgevlogen tegen de vuurtoren van Westerhever in het Duitse waddengebied. Ook die had een worm in de longen, ook die uit zoet water. Bij deze vogel werd bovendien vastgesteld dat hij relatief laat was met ruien - eigenlijk had je aan zijn verenkleed al kunnen zien dat hij niet in conditie was.

Zo gebeurt het dus wel degelijk dat kanoeten zich van zee verwijderen.

In een aantal gevallen bekomt ze dat kennelijk slecht.

Sporen die naar een lumineus idee kunnen leiden. Dat wil zeggen: als je dat idee eenmaal hebt, besef je dat het sporen zijn geweest. Vooralsnog zijn het bakens in een overigens onbepaald terrein.

En ergens in die onbepaaldheid bevindt zich ook de ervaring met het houden van kanoeten in gevangenschap. Heel lastig. Altijd infecties aan de poten, zweertjes, een soort vogelpok. Hun verblijf moet door en door schoon worden gehouden, kanoeten moeten steeds in water kunnen staan, zout water, zeewater. Terwijl je ziet dat andere vogelsoorten - bonte strandlopers in Duitsland, kemphanen (erg delicate poten) in Canada - in kooien door een dikke laag troep baggeren, en geen centje pijn.

Dingen die je oppikt zonder erbij stil te staan. Zoals ook de herinnering aan die zomer die je zelf op het Tajmyr-schiereiland, tussen de broedende kanoeten, hebt doorgebracht. Twee maanden lang blauwbekken. Altijd koud, tot op het bot verkild, en geen dag ziek!

“Goed”, zei Theunis, “onthou dat even.” Want nu stonden we op de drempel, daar op dat koud-zonnige terras in het hart van Den Haag. Maar in plaats van zijn verhaal af te maken, begon hij nog eens van voren af aan. Waarschijnlijk met de bedoeling om langs een andere weg nog eens naar hetzelfde punt toe te werken.

Bij veldwerk aan kanoeten zit je met de moeilijkheid dat het vrij kleine vogels zijn, die buiten hun broedgebieden bovendien een grote gezamenlijkheid aan de dag leggen. Kanoeten zie je altijd in groepsverband. Je herkent geen individuen. Je werkt aan een abstractie, de gemiddelde kanoet.

“Terwijl je in feite”, zei Theunis, “iets heel concreets wilt weten. Wat doet het ene beest goed en het andere fout? Of liever gezegd, wat maakt het ene beest tot een geluksvogel en het andere tot een pechvogel? En toen dacht ik: misschien zit er wel iets in de parasieten.”

Dan begin je bij vogels de veren op te strijken om naar luizen of mijten te kijken. Niets. Geen parasieten aan de buitenkant, niet waarneembaar in elk geval. Parasieten aan de binnenkant dan?

Er werden uitstrijkjes gemaakt om het bloedbeeld te bekijken. Weer niets. En opeens verschijnen overal in de vakliteratuur stukjes dat steltlopers geen bloedparasieten hebben. Dus in de eerste plaats: dat klopt. In de tweede plaats: er zijn al meer onderzoekers die in deze richting denken.

Darmparasieten dan?

Die zou je kunnen aantreffen in de ontlasting. Maar daarvoor moet je behoorlijk wat ontlasting bij elkaar vegen en dan zit je wéér met de moeilijkheid dat je je bevindingen niet aan een individuele vogel kunt koppelen. Zodat er maar één ding overblijft: je moet ín de darmen kijken.

VANAF 1990 HAD Theunis zijn vangstslachtoffers bewaard. Ja, vogels die verongelukken als je ze probeert te vangen. Hij is daar niet gelukkig mee; hij bewondert zijn vogeltjes, praat altijd met warmte over ze. Maar zijn ze eenmaal dood, dan doet hij er graag wat nuttigs mee. Poelierswerk. Het openleggen en uitschrapen van darmen, het uitspoelen van de inhoud. En dát bracht wel degelijk parasieten aan het licht.

“Daar komt iets ontzettend moois uit”, zei Theunis. “Beesten met veel parasieten vertonen weinig zomerkleed, een moeizame rui, en zitten aan de onderkant van de gewichtscurve. Een deel van de variatie tussen die beesten is dus af te lezen aan hun parasietenbelasting.”

Nieuwe vragen. Waar moeten welke parasieten in het verhaal worden opgenomen? Veroorzaken parasieten een slechte conditie of is het een slechte conditie die de vatbaarheid voor parasieten vergroot? En in hoeverre zou gebrek aan weerstand een genetische kwestie zijn?

In elk geval: een verbluffend nieuw doorkijkje in het terrein van de evolutie. Ergens in de struggle for life wordt een vonnis geveld en dan snellen er parasieten toe om dat vonnis te voltrekken - parasieten, die natuurlijk ook zelf weer worden opgejaagd door het mechanisme van survival of the fittest.

Fijn, nou ben je bezig met dat boek van Ridley over seks en evolutie en zo, nou lees je dat geslachtelijke voortplanting hoog in de bergen een uitzondering is en dat dat ongetwijfeld te maken heeft met een klimaat dat te hard is voor parasieten en dan besef je opeens: maar zo is het daarginds in Siberië ook - een steriele omgeving.

“Want dat is Siberië”, zei Theunis, “dat heb ik toch nooit zo goed begrepen. Waarom zetten kanoeten uitgerekend dáár hun jongen op de wereld? Het oude verhaal wil dat de toendra, als de dooi eenmaal is ingetreden, erg rijk aan voedsel is. Veel grote insecten. Maar als je gaat kijken: dat is helemaal niet waar. Je vindt er echt niet meer prooi dan elders, en de prooien die er zijn, zijn juist kleiner. En elke dag slecht weer. Gruttokuikens zouden het onder dergelijke omstandigheden waarschijnlijk maar een uur uithouden. Maar die kleine kanoetjes rennen vrolijk rond en groeien als kool. Terwijl ze - nogmaals - echt niet zoveel te eten hebben en een ontzettende hoop energie moeten uitgeven om warm te blijven.”

Mogelijke verklaring: gruttokuikens zijn gedwongen een deel van hun beschikbare energie te gebruiken voor de opbouw van een krachtig immuunsysteem. De kuikens van kanoeten kunnen zich de moeite besparen, maar moeten zich vervolgens hun hele leven verre houden van infectiegevaar. 's Zomers de hygiëne van het koude noorden, 's winters de hygiëne van zout water, zeewater.

Dus dan moeten kanoeten wel zo'n beetje de helderste dieren ter wereld zijn!

Dus dan wordt hun trek mede gedicteerd door de parasieten die ze moeten vermijden!

Theunis zweeg.

“Ben je nooit bang dat je explodeert”, vroeg ik.

“Hoezo?”

“Dat arme hoofd van jou ... daar zit al zo verschrikkelijk veel in, en nou moet dat van die parasieten er ook nog bij.”

“Alsof je een raam opengooit”, zei hij onbekommerd. “Alsof je een heel nieuw uitzicht krijgt. Prachtig toch?”

TOEN WAS HET mijn beurt om een boek voor de dag te halen, een klassieker van William H. McNeill: De pest in de geschiedenis. Op de heenweg, in de trein, was ik de aangestreepte passages nog even langsgelopen.

Hoe was het mogelijk, vroeg McNeill zich af, dat Hernando Cortez met een legertje van zeshonderd man het complete rijk van de Azteken onder de voet had gelopen? Antwoord: omdat hij die mensen bestreed met ziektekiemen. Het was het pokkenvirus dat de bevolking van Mexico decimeerde van dertig miljoen in 1519 tot drie miljoen in 1568. Cortez' eigen mannen waren immuun voor dit virus. (En daarna geeft dit boek ook antwoord op de vraag waarom de Azteken van hun kant geen ziektekiemen beschikbaar hadden om dat legertje van Cortez te decimeren).

Op deze manier raakt iemand geïntrigeerd door de invloed van parasieten op de wording van de mensheid. Enorm! Heel de verspreiding van mensen over de aarde draagt het stempel van parasieten, hele beschavingen werden door toedoen van parasieten gevestigd of verwoest.

Voorbeelden.

Thucydides meldt dat in 430 v.Chr. een (niet nader geïndentificeerde) besmettelijke ziekte vanuit de haven van Pyraeus binnenrukte in Athene. De verzwakte stad zou daardoor geen kans hebben gezien Sparta en de Peloponnesische Federatie te onderwerpen, een elementair gegeven in de politieke geschiedenis van het Middellandse-Zeegebied.

In de Romeinse tijd rekenden christenen de verzorging van zieken tot hun religieuze plichten. Het effect van epidemieën was dat de christelijke kerk werd versterkt op momenten dat andere maatschappelijke instellingen juist in verval raakten.

Tot op de huidige dag wordt de toegang van mensen tot bepaalde delen van Afrika bemoeilijkt door slaapziekte. Deze aandoening wordt veroorzaakt door trypanosomen, ongevaarlijke parasieten bij veel antilopensoorten. Ze worden door tseetseevliegen overgebracht op de mens en het gevolg is een ernstige hersenonsteking. En daardoor, concludeert McNeill, behoort de Afrikaanse savanne tot die zeldzame plekken op aarde waar nog onafzienbare kuddes hoefdieren bestaan. Tot genoegen van de antilopen - en van de leeuwen natuurlijk.

Dat de mens ook de tropische wouden nog steeds niet volledig de baas is, vindt een verklaring in de veelheid van parasieten die hem daar wacht. Waar het zo warm en vochtig is, kunnen ziektekiemen lang buiten een gastheer.

Tegen malaria kwamen pas goede middelen beschikbaar toen men in 1854 op Java kinabomen begon te planten. Letterlijk uit dat boek van McNeill: 'De ontdekkingsreizen in de binnenlanden van Afrika, een belangrijk verschijnsel van Europese expansie in de tweede helft van de 19de eeuw, zouden onmogelijk zijn geweest zonder de kinine van die Nederlandse plantages.'

IN GEMATIGDER klimaatzones bestonden overeenkomstige omstandigheden in de steden. Pakhuizen van mensen, broeikassen voor ziektes die rechtstreeks worden overgebracht van het ene individu op het andere: tuberculose, mazelen, pokken, waterpokken, kinkhoest, bof en griep. Zonder aanvulling met gezonde zonen en dochters op het platteland hadden de steden nooit kunnen groeien, zonder antibiotica had die groei nooit kunnen beklijven.

“Grappig”, zei ik.

Want nu kwam de biologische kant van de zaak. Oftewel: hoe parasieten gedoemd zijn zichzelf onschadelijk te maken.

Van hun gastheren overleven de sterksten, van de parasieten zelf overleven juist de gematigden. Parasieten die hun gastheer terstond om het leven brengen, staan uiteindelijk ook zichzelf in de weg. Wat dat betreft pakt de veroorzaker van een onschuldig griepje het heel wat slimmer aan dan de veroorzaker van aids. Daarom mag je ook verwachten dat de veroorzaker van aids ooit met een onschuldig griepje zal eindigen.

Theunis knikte goedkeurend. Dit was zijn taal, de taal van de natuurlijke selectie.

Zo zaten we daar, al bijna in de schaduw, op een terrasje in Den Haag het leven te begrijpen. Eén grote wedloop tussen parasieten en hun prooi, waarbij we royaal bereid waren onszelf als prooi te beschouwen - hoewel de mens door menig ander dier ongetwijfeld eerder als een acuut ziekteverschijnsel wordt beleefd.

“Wat mij fascineert”, zei ik, “is de rol van woorden in dit spel. Je begint met een woord: KANOET. Je werkt jaren en jaren om dat woord te definiëren, steeds nauwkeuriger, steeds meeromvattend. En op het eind komt alles weer samen in een woord: KANOET.”

“Dan hoop ik tussen die twee woorden een mooi leven te hebben gehad”, zei Theunis.