Deetman geeft Den Haag eindelijk smoel

De benoeming, gisteren, van Wim Deetman tot burgemeester van Den Haag betekent een breuk met het jongste verleden, waarin de residentie minder geprofileerde bestuurders uit de KVP-stal kreeg toegewezen. Constant Martini was niet gelukkig met deze politieke praktijk, maar hij verwacht veel van de nieuwe burgervader.

Na het overlijden van burgemeester Marijnen, twintig jaar geleden, heeft de stad Den Haag minder opvallende en prominente persoonlijkheden als burgemeester gekregen dan Rotterdam en Amsterdam. Het benoemingsbeleid van het kabinet heeft daar beter gefunctioneerd.

De kwaliteit van een stadsbestuur is niet alleen een zaak van de burgemeester, maar ook van een aantal andere spelers, zoals de overige leden van het college van B en W, leden van de gemeenteraad en - niet te vergeten - de ambtenaren. De gezamenlijke prestaties bepalen uiteindelijk de stedelijke bestuurskracht.

De waarde van een benoemde burgemeester ligt in de mate waarin deze in staat is het bestuur herkenbaar naar buiten te brengen en het gemeentelijke bestuursproces te stroomlijnen. De betrokkenheid bij en het inzicht in de stad en zijn bewoners spelen naast de persoonlijke ambities een grote rol.

Een van de elementen van een succesvol burgemeesterschap is de manier waarop de betreffende man of vrouw zijn/haar intrede doet in de lokale politieke gemeenschap. De acceptatie van het kabinetsbesluit, dat voor de grote steden in Nederland altijd een politieke benoeming is, is bepalend voor de eerste jaren van het burgemeesterschap.

Beslissend hoeft deze beginfase voor het uiteindelijke oordeel niet te zijn. Normaal gesproken duurt het burgemeesterschap langer dan een periode van zes jaar. Wethouders en raadsleden wisselen in groten getale na de vierjaarlijkse verkiezingen. De continuïteit van het ambt werkt in het voordeel van deburgemeester. Of hij/zij als sterk of zwak wordt beoordeeld, hangtaf van deze elementen.

De vraag is welke omstandigheden het kabinet laat meewegen in het werven en benoemen van burgemeesters en welke andere factoren worden meegenomen. En waarom lijken Rotterdam en Amsterdam er beter af te komen dan de residentie?

Een van de markante verschillen met de beide andere gemeenten is het feit dat de stad Den Haag nooit een dominante politieke (partij)cultuur heeft gekend. Zowel Rotterdam als Amsterdam werden traditioneel door de PvdA gedomineerd en ook de burgemeesters werden uit de sociaal-democratische beweging geselecteerd. Zo zorgde het kabinet voor de acceptatie van burgemeesters in het plaatselijke politieke milieu.

In Den Haag - behoudens de drie roemruchte jaren van het linkse college van 1986 tot 1989 - heeft altijd een afspiegelingscollege de dienst uitgemaakt. Van een dominante partij is nooit sprake geweest. Dat is begrijpelijk omdat Den Haag altijd een sterk in arm en rijk verdeelde stad is geweest. Dit komt onder andere tot uitdrukking in de als los zand aan elkaar hangende dure woonwijken en de dicht op elkaar gepakte volksbuurten.

Deze tweedeling vindt zijn grondslag in de twee economische hoofdactiviteiten van de stad: een beperkte industriële bedrijvigheid en een omvangrijke ambtenarij. Er bestaat derhalve ook geen dominante of samenhangende stadscultuur.

In deze situatie kwam de afspraak tot stand tussen de grote fracties in de Tweede Kamer dat het CDA de Haagse burgemeester mocht leveren. Na de oorlog kwamen de Haagse burgemeesters eerst uit de CHU en de laatste vier waren van KVP-huize. De KVP is in de Haagse raad nooit de grootste partij geweest. Opmerkelijk blijft dat de KVP/CDA niet in staat bleek om geprononceerde kandidaten voor de post Den Haag te recruteren.

De laatste twee KVP-burgemeesters kwamen voort uit de bestuurstraditie zoals deze de afgelopen decennia vorm heeft gekregen in niet-Randstedelijke gebieden. Meestal bestaat daar een op lokale problemen georiënteerd gemeentebestuur en de burgemeester wordt er minder als een politieke figuur beschouwd. Het gezag van de burgemeester wordt als vanzelfsprekend ervaren. Bovendien was in deze situaties de KVP de dominante politieke stroming. Deze bestuurservaring botste met de inmiddels in Den Haag gegroeide politieke cultuur.

De politieke tegenstellingen in de grote steden - en dus ook in Den Haag - werden sinds het begin van de jaren zeventig scherper en de discussie over samenwerking en coalitievorming werd naar analogie van de landelijke politiek, compleet met meerderheidsstrategieën en polarisatie, ook op plaatselijk niveau gevoerd.

De laatste twee Haagse burgemeesters hadden geen enkele ervaring in de landelijke politiek. Hoe anders lag dit met de Rotterdamse en Amsterdamse collega's. Als ministers, Kamerleden of (vice-)voorzitters van de PvdA kenden ze het spel om de macht en de moeilijke weg van meerderheidsvorming. Geconstateerd kan worden dat de laatste Haagse burgemeesters niet in staat zijn geweest deze cultuurovergang in hun functioneren te verwerken.

Een ander element bij de selectie van kandidaten dat niet uit het oog mag worden verloren, heeft betrekking op de maatschappelijke oriëntatie van mogelijk in aanmerking komende voormalige bewindslieden of partijcoryfeeën.

De stap naar het burgemeesterschap van de hoofdstad Amsterdam of de wereldhavenstad Rotterdam wordt onder PvdA'ers als een prestigieuze gezien. Men zou verwachten dat ook het burgemeesterschap van de residentie met zijn representatieve functies en de internationale status als een zeer aantrekkelijke post wordt beschouwd. Maar blijkbaar ligt dat voor oud-bewindspersonen of landelijke politici van de KVP anders. Een uitzondering hierop is wellicht Gerrit Brokxs die in 1986 van het kabinet niet naar Den Haag mocht en later zijn burgemeesterschap in Tilburg kreeg.

Het blijft bijzonder te betreuren dat het CDA al die tijd bleef vasthouden aan het beginsel dat Den Haag een KVP-burgemeester dient te krijgen. Daarom moest er worden uitgeweken naar onbekende carrière-burgemeesters uit de KVP.

Met de komst van Wim Deetman kan er iets veranderen. Naar verwachting voldoet hij aan de voorwaarden voor een goede start en een doeltreffend burgemeesterschap. Uit zijn jeugd kent hij de stad en gemeentelijke bestuurlijke ervaring heeft hij in Gouda opgedaan. Als minister en als Kamervoorzitter heeft hij zo veel politiek gewicht verworven en ervaring opgedaan, dat Den Haag wat betreft het burgemeesterschap de vergelijking met elke grote stad aankan.