Amerikaanse tuiniers

Het Zaterdags Bijvoegsel van vorige week was gewijd aan de Verenigde Staten van Amerika. Ik kon er niet bij zijn: het lot riep mij ver weg naar oude familietuinen in Donegal; maar hier, om de lezer geen vier jaar te laten wachten, is alsnog mijn Amerikaanse Buitenlust.

Wat er ook in meespeelt is de ijver van de recente bekeerling: kort geleden ontdekte ik de boeken (het zijn er helaas maar twee) van Henry Mitchell 1), jarenlang de schrijver van de tuinrubriek in de Washington Post. Er zijn meer goede Amerikaanse tuinschrijvers, zoals Eleanor Perényi, Michael Pollan en Katherine S. White, maar geen van hen heeft de humor van Mitchell. Waar ik voor val zijn opmerkingen als:

“Mijn veeljarige ervaring heeft mij geleerd dat planten buiten veiliger zijn, ongeacht de weersomstandigheden, dan binnen onder mijn hoede.”

“Het is gemakkelijk onrechtvaardig te zijn over Scilla tubergeniana. Meer dan eens heb ik tuiniers horen zeggen: 'O, dat'.”

“Paardemest is net als jeugd: je hebt er nooit genoeg van.”

“Deze tuin is ontstaan door het doen van onpraktische dingen die we ons niet konden veroorloven in de verkeerde tijd van het jaar.”

Henry Mitchell (hij stierf in 1993) had een paar stevige obsessies. Irissen bijvoorbeeld; dat kan ik aanvaarden, maar niet meevoelen. In andere obsessies kan ik gemakkelijker delen. Hij was in zijn tuin niet alleen, hij had honden: “Als je honden hebt, hou dan rekening met ze. Onnodig te zeggen, ik heb nooit een tuinier gekend die dat echt deed. Je verzorgt de tuin en laat de honden uit, en vervolgens vraag je je af waarom ze de ontkiemende irissen tot slaapplaats inrichten of (zoals bij mij) op de doornige rozestruiken kluiven.” En dan, over zijn agaven: “Iemand bood mij eens aan, mijn agaven over te nemen, denkend dat ik ze hinderlijk vond. Wel, dat zijn ze natuurlijk. Ook honden zijn dat, maar de mensen komen niet naar je toe met het aanbod je van je honden af te helpen.”

Hij heeft een onweerstaanbare manier om planten met honden te vergelijken: daglelies zijn als basset hounds, een zaadloze hyacinth vergelijkt hij met een tekkel met een schijnzwangerschap, en rozen in het algemeen lijken op honden - “het heeft geen enkele zin ze er op na te houden als ze niet voortdurend overal zijn”. Dat brengt hem weer tot een beschouwing over het onderscheid tussen honden die op je bed kunnen springen en honden die dat niet kunnen. Een passage over Jeffersons huis en tuin in Monticello eindigt met de woorden: “Zijn relatie tot honden was op zijn best mistig.” Hoe waren Mitchells gevoelens jegens andere belangrijke diersoorten? Er is deze opmerking over vogels in de tuin: “Katten zijn overigens niet het antwoord op vogelproblemen, want dan heb je katten.”

Veel tuiniers in Amerika zijn hevig gefixeerd op gazons. Niet Mitchell. Ruimteverspilling, vond hij. Hij had een stadstuin in Washington, waar de aarde even vol met wortels schijnt te zitten als in Leiden en het klimaat een heel ander pot nat is. Hij schrijft bevlogen over de voorjaarsstorm (“Wat wij gemakshalve met 'lente' aanduiden... is gedeeltelijk verbeelding”), de zomerstorm en de najaarsstorm; ook over de grote hitte van hartje zomer, wanneer eindelijk de waterlelies bloeien. Dan moet je wat uienbroodjes voor jezelf klaarmaken, ze in de ijskast heel koud laten worden, en “rond het middaguur naar buiten stormen, als een razende happend om een hitteflauwte te voorkomen”. Dat is weliswaar “niet de meest ontspannen manier om je waterlelies te bekijken, maar vermoedelijk wel de meest opwindende. Zulke genoegens zijn totaal onbekend in de grote tuinen van Engeland.”

Het is een specifiek Amerikaanse manier van schrijven, excentriek-sikkeneurig, een kruising tussen W.C. Fields en James Thurber (die ook honden had). Sommige Amerikaanse schrijvers zijn geobsedeerd door Thoreau, maar Mitchell, hoewel hij schrijft op een manier die aan Thoreau's avonturen met de bonen herinnert, verspilt geen tijd aan wijsgerige speculaties over de zin van het tuinieren. Zijn filosofie is eenvoudig: “Vroeger of later gaan de meeste tuiniers dood, om het voorzichtig te zeggen, en de vraag is of de tuinier zijn tijd en middelen verspild heeft aan nerveus gemier met zwammen, mollen, torren en boze eekhoorns, of zich verlustigd heeft, jaar na jaar, in de sneeuwklokjes.” Dat betekent bij hem, zo moet hieraan toegevoegd worden, niet de eekhoorns niet observeren of er niet over schrijven; wat Mitchell zo goed maakt is nu juist precies het spanningsveld tussen gemier en verlustiging.

Waar hij ook met verve over schrijft is het weer, en hoe na een paar jaar tuinieren eindelijk tot je doordringt “dat er nooit enig jaar is geweest waarin alles gedijde. En ontdek je (meestal na een jaar of veertig) dat er geen jaar is zonder een of andere speciale pracht.” De jaren dat de irissen perfect waren bijvoorbeeld: “Zelf heb ik twee zulke jaren meegemaakt in de laatste drieënveertig.” Mitchell houdt ervan de kortaangebonden Southern Gentleman te spelen: “Ik was diep in de middelbare leeftijd voor ik begreep dat petunia's bovenop de grond moeten worden gezaaid, en dat ze licht nodig hebben om te ontkiemen. Ach ja. Veertig jaar mislukking verklaard in één zin.”

Wat een genoegen een nieuwe tuinschrijver te ontdekken, nieuw voor mij dan. Er zijn zoveel tuinboeken op de markt, zoveel informatie, zoveel beeldige foto's, en verhoudingsgewijs zo weinig goed geschreven teksten er over. Tuinieren is een speciale menselijke bezigheid, een van de meest frustrerende die er bestaan als gevolg van de voortdurende medewerking die het nodig heeft, en maar zo zelden ontvangt, van de natuur. Iemand die dat weet uit te drukken, met gepaste luchthartigheid, zou door alle tuiniers gelezen en bewonderd moeten worden. Als je snel een idee wilt krijgen van hoe Mitchell schrijft, lees dan zijn beschrijving in The Essential Earthman over hoe “voor graaf- en plantoperaties van drie (3) tomatenplanten een hele dag nodig is”. Maar lees het niet in de trein zoals ik deed, want de mensen generen zich als je je al lezend tranen zit te lachen.

1) The Essential Earthman, 1981, en One Man's Garden, 1992, beide in paperback bij Houghton Mifflin.