Talibaan staan er niet erg rooskleurig voor

NEW DELHI, 1 NOV. Vijf weken nadat ze zegevierend Kabul binnentrokken staan de streng islamitische Talibaan er beduidend minder rooskleurig voor dan ze zelf hadden verwacht. In plaats van nieuwe triomfen in de laatste resten Afghanistan die nog niet onder hun controle vielen, pogen ze nu met veel kunst en vliegwerk de Afghaanse hoofdstad in handen te houden.

Gisteren moesten de Talibaan machteloos toezien, hoe vijandelijke vliegtuigen een bombardement uitvoerden op een wijk bij het vliegveld van Kabul. Daarbij kwamen drie kinderen om het leven. De vrede, die de Talibaan in de stad zeiden te hebben hersteld na jaren van bloedige factiestrijd, bleek niet meer dan een vluchtige illusie.

De frontlijn bevindt zich op slechts enkele kilometers van de verste buitenwijken van Kabul en de angst voor bommen, raketten en granaten is weer springlevend in de stad. Dit maakt het Talibaan-bewind, dat wegens zijn diep in het persoonlijke leven ingrijpende islamitische voorschriften toch al niet populair was, nog minder geliefd.

Vrouwen, die vroeger buitenshuis werkten, moeten nu thuis blijven en hun dochters mogen geen onderwijs meer volgen. Als ze al de straat opgaan, dan nog slechts in de burqa, een het hele lichaam bedekkende soepjurk. Veel mannen zouden hun verplichte baard nog liever vandaag dan morgen afscheren.

Intussen nemen de geruchten toe dat er een nieuw offensief op komst is tegen de Talibaan in het westen van Afghanistan rond de stad Herat, niet ver van Iran. De vroegere machthebber van Herat, Ismail Khan, die de stad ruim een jaar geleden prijsgaf aan de Talibaan, zou op het punt staan aan te vallen. Vermoedelijk zal hij daarbij achter de schermen worden gesteund door het shi'itische Iran, dat de opmars van de streng sunnitische Talibaan de afgelopen twee jaar met lede ogen heeft gevolgd. Het was stellig geen toeval dat de ambassadeur van het vorige Afghaanse bewind het offensief gisteren in Teheran maar vast officieel aankondigde.

Ook kan Khan op de warme sympathie rekenen van zijn vroegere bondgenoot Ahmed Shah Massoud, jarenlang de sterke man achter het bewind van president Burhanuddin Rabbani in Kabul, en op die van zijn vroegere vijand, de Oezbeekse generaal Abdul Rasheed Dostam. Naar goed Afghaans gebruik vielen de oude rivalen Massoud en Dostam elkaar drie weken geleden in hun uur van nood in de armen. Beiden wilden koste wat kost de opmars van de Talibaan naar hun eigen bolwerken stuiten.

De Talibaan bestaan hoofdzakelijk uit Pathanen, de grootste etnische groep in Afghanistan. Massoud hoort tot de Tadzjiekse minderheid in het noordoosten en Dostam tot de nog kleinere Oezbeekse in het noorden. De verschillende etnische groepen in Afghanistan hebben vanouds wantrouwig tegenover elkaar gestaan.

Plechtig beloofden Massoud en Dostam elkaar samenwerking tegen de Talibaan. Dat bleek in de praktijk nauwelijks nodig. Massouds doorgewinterde strijders wisten de afgelopen drie weken grotendeels op eigen kracht de onstuimige maar militair niet bijster indrukwekkende Talibaan tot aan de poorten van Kabul terug te drijven. Dostams mannen, die eveneens gelden als vervaarlijke vechters, hoefden nauwelijks in actie te komen.

Dat vond de altijd opportunistische Dostam overigens geen enkel bezwaar. Hem is het er vooral om begonnen zijn heerschappij in zijn noordelijke rijkje te bestendigen. Even leek die door de verschuiving van het machtsevenwicht in Afghanistan ten gunste van de Talibaan in gevaar te komen, maar inmiddels staat vast dat hij zich voorlopig geen zorgen hoeft te maken. Het lijdt weinig twijfel dat als de nood aan de man komt, de troepen van Massoud en Dostam samen de Talibaan op het slagveld de baas zijn, zeker in gebieden waar overwegend Tadzjieken en Oezbeken wonen.

Niet duidelijk is echter of Massoud, al dan niet actief gesteund door Dostam, Kabul zal kunnen en willen innemen. De krachtsverschillen lijken te gering om dat snel en zonder bloedvergieten te doen. Het is niet duidelijk of hij bereid is een groot nieuw bloedbad in de toch al zo door oorlog geteisterde hoofdstad aan te richten. Het zou hem veel krediet bij de bevolking van de hoofdstad kunnen kosten.

Tijdens onderhandelingen over een staakt-het-vuren heeft Massoud vorige week voorgesteld Kabul te demilitariseren, een idee dat ook binnen de Verenigde Naties enige weerklank heeft gevonden. De Talibaan, die zich doorgaans zeer weinig aan het buitenland gelegen laten liggen, voelen hier echter niets voor.

Niet alleen op het slagveld hebben de Talibaan teleurstellingen te verwerken gekregen. De kans wordt ook met de dag kleiner dat hun beweging door het buitenland tot wettige regering van Afghanistan zal worden uitgeroepen. Zelfs landen waarvan bekend is dat ze Talibaan een warm hart toedragen, Pakistan en Saoedi-Arabië, hebben hun bewind nog niet erkend. Washington, dat zich aanvankelijk nogal op de vlakte had gehouden over de Talibaan en hun reactionaire interpretatie van de islam, zei vorige week dat erkenning van het bewind van de Talibaan uitgesloten was. Een zegsman omschreef hun interpretatie van de islam als 'bizar'.

Iran, dat de Talibaan verafschuwt, daarentegen heeft laten weten dat het nog steeds de uit Kabul gevluchte regering van Rabbani als het enige wettige bewind van Afghanistan beschouwt.

Veel buitenlandse hulporganisaties hebben hun werk in Kabul stilgelegd in afwachting van de politieke en militaire ontwikkelingen. Ze zijn ontstemd over de manier waarop de Talibaan de vrouw uit het openbare leven proberen te verdringen en hun vrouwelijke Afghaanse medewerkers het werken onmogelijk maken. Ze eisen dat hierin spoedig verbetering komt.

Vooralsnog lijkt de kans daarop gering. Naast alle eerdere beperkingen voor vrouwen, werden vorige week ook de openbare badhuizen, waar veel armere vrouwen van gebruik maakten, gesloten. Zulke gelegenheden zouden in strijd met de islam zijn.

Het staken van de hulp maakt het leven voor de bevolking van Kabul nog moeilijker. Bovendien staat de altijd bitterkoude winter voor de deur. Vele tienduizenden in Kabul, dikwijls jonge oorlogsweduwen en hun kinderen, konden slechts overleven bij de gratie van voedselhulp uit het buitenland. Hoeveel van hen het volgende voorjaar halen, is onzeker.

    • Floris van Straaten