Shell profiteert minder van dure olie dan concurrenten

ROTTERDAM, 1 NOV. Hoe verder analisten het winstcijfer van de Koninklijke Shell Groep over het derde kwartaal gisteren uitkleedden, hoe minder er uiteindelijk over bleef. 'Boven de streep' rapporteerde het Nederlands-Britse olieconcern een winststijging van 26 procent tot 1,329 miljard pond.

Maar als de waardestijging van Shells voorraden wordt weggelaten, resteert nog maar een winststijging van 8 procent tot 1,201 miljard pond. Zonder buitengewone baten en lasten bleek de winst met 76 procent te zijn gedaald, tot 1,117 miljard pond. Dat laatste, naakte cijfer was lager dan op de beurs werd verwacht. Aandelen Koninklijke Olie, die vorige week nog een koersrecord van 295,60 gulden hadden genoteerd, vielen terug tot 280,20 gulden en krabbelden vanmorgen maar drie dubbeltjes overeind.

Waarom heeft Shell niet geprofiteerd van de hogere olieprijs? De waarde van een vat ruwe olie was in het derde kwartaal van 1995 gemiddeld 20,90 dollar per vat, tegen 16,15 dollar in dezelfde periode vorig jaar. Dat scheelt een kwart, maar is per saldo niet terug te vinden in Shells winst.

Shells upstream-sector Exploratie en Winning, waar de gewonnen olie duurder kon worden verkocht, spon garen bij de hoge olieprijs, met een winststijging van 92 procent tot 599 miljoen pond sterling. Maar downstream bij Raffinage en Verkoop, waar olie als grondstof wordt gebruikt en de prijzen van de geraffineerde produkten vertraagd en niet volledig kunnen worden doorberekend aan de klanten, sloeg de hoge olieprijs een gat in de winst. Die daalde met 27 procent to 422 miljoen pond.

Per saldo resteert voor upstream- en downstream-sector samen een winstgroei van 889 miljoen pond tot 1.021 miljoen pond, uitgezonderd voorraadeffecten. Maar die winstverbetering in Shells olie-activiteiten van tegen de 15 procent werd tenietgedaan door de chemiesector. Die verkeert in Europa nog steeds in een cyclische dip, waardoor de winst bij Shells chemie-activiteiten maar liefst 40 procent lager lag dan vorig jaar, op 189 miljoen pond.

Het is de onderlinge verhouding tussen olieproduktie, raffinage en chemie die de sleutel vormt voor de invloed van de olieprijs op de resultaten van een geïntegreerde oliemaatschappij. Shells concurrenten leggen over het algemeen meer de nadruk op oliewinning en zijn daarom gevoeliger voor wijzigingen in de olieprijs. Het Amerikaanse Exxon maakte vorige week bekend 4 procent meer winst te hebben gemaakt in het derde kwartaal. Mobil, de tweede Amerikaanse oliemaatschappij, moest twee procent in winst terug, waarbij het cijfer door incidentele factoren negatief werd beïnvloed. De twee voor de olieprijs meest gevoelige oliemaatschappijen, Texaco en Chevron, lieten de grootste winststijging zien, met 50 procent voor Texaco en 29 procent voor Chevron.

Shell is van alle grote maatschappijen de minst gevoelige voor prijsveranderingen van ruwe olie. Dat komt goed uit in tijden van lage olieprijzen, maar het concern profiteert, nu de prijzen stijgen, minder dan zijn concurrenten. Het concern voert de laatste tijd belangrijke wijzigingen door bij raffinage en verkoop, en bij chemie.

Bij raffinage en verkoop kampt de gehele oliewereld met een structureel overschot aan raffinagecapaciteit, en zeer magere winstmarges. Vorige maand werd bekend dat Shell, Texaco en Star Enterprise (een joint venture van het Saoedische Aramco en Taxaco) bundeling overwegen van hun raffinage- en verkoopactiviteiten in de Verenigde Staten. De waarde van de betrokken bedrijfsonderdelen wordt geschat op 10 miljard dollar (17 miljard gulden).

Shell is ook druk doende zijn chemie-activiteiten om te vormen. Vorige maand maakte het concern beken de produktie van de chemische grondstof polyetheen te bundelen met die van het Duitse chemieconcern BASF. Dat is de zoveelste van een reeks van maatregelen die de chemie binnen Shell minder overheersend moet maken. Eerder in het kwartaal verkocht Shell fijn-chemiebedrijven voor een bedrag van 200,5 miljoen pond (517 miljoen gulden) aan concurrent Inspec. Die verkoop ligt ten grondslag aan de buitengewone bate van 84 miljoen pond die Shells winstgroei voor het derde kwartaal nog wist te redden.

Het nieuws over de samenwerking met Texaco en BASF gaf het aandeel Koninklijke Olie, dat al van onder de 200 gulden vorig jaar was gestegen tot 260 gulden begin oktober, een extra steun in de rug - hoewel ook de stijging van het pond sterling met bijna zeven procent tot 2,78 gulden meehielp. Maar beleggers, die het aandeel dinsdag nog opstuwden naar een koersrecord van 295,60 gulden, lieten Koninklijke gisteren hard vallen, van een opening van 286 gulden naar 280,20 gulden.

Daarbij zal ook een rol hebben gespeeld dat Shells liquiditeitspositie in het afgelopen kwartaal iets is gedaald, van 5,467 miljard pond tot 5,246 miljard pond. Door de enorme kas die Shell aanhoudt gingen sommige beleggers er van uit dat het olieconcern er toe over zou gaan mer dividend uit te keren. In het afgelopen jaar zijn veel bedrijven in de Angelsaksische wereld er toe over gegaan overtollig kasgeld aan de aandeelhouders te retourneren. In de regel gaat dat via de terugkoop van aandelen, waardoor dezelfde bedrijfswinst van dan af aan over minder uitstaande aandelen wordt verdeeld en de koers van de aandelen stijgt. Door Shells binationale, Nederlands-Britse structuur ligt dat ingewikkelder. Het terugkopen van eigen aandelen door een bedrijf is in Nederland fiscaal minder aantrekkelijk voor beleggers. Shell zou de overtollige gelden kunnen afromen door meer dividend uit te keren, maar dat vooruitzicht is - als het concern het sowieso al van plan zou zijn geweest - iets minder rooskleurig.

Het lopende vierde kwartaal zal moeten laten zien of het optimisme rond Shell gerechtvaardigd was. De olieprijs zal zeker helpen: in oktober noteerde een vat Brent-olie rond de 24 dollar per vat, en er zijn nog geen tekenen dat die prijs snel zal dalen. De ironie wil dat veel oliemaatschapijen juist om de kosten te drukken de olievoorraden bij hun raffinaderijen hebben teruggebracht, Die lage voorraden zorgen nu al bijna een jaar voor krapte op de oliemarkt en hebben bijgedragen aan de prijsstijging van olie.

Vorig jaar in het vierde kwartaal bedroeg de olieprijs zo'n 17 dollar per vat, dus bij de nu fors gestegen prijs ligt zowel een voorraadwinst als een nieuwe meevaller in de winst van Exploratie en Produktie bij Shell in het verschiet. De resultaten bij Raffinage en Verkoop lijken voor een groot deel af te hangen van de mogelijkheid die hogere olieprijs in de prijs van de daar geproduceerde benzine en kerosine te verdisconteren. En dat hangt onder meer weer af van de structurele overcapaciteit op de wereldmarkt.

Per saldo zorgen upstream en downstream samen echter voor een positief winsteffect voor de Koninklijke Shell Groep als de olieprijs hoog blijft. Daardoor zal Shells derde poot, de chemie, waarschijnlijk de balans bepalen tussen een meevallend of tegenvallend resultaat voor de Groep in het vierde kwartaal. Over de vooruitzichten voor de basischemie, die met name in Europa door een dal gaat, bestaat grote onzekerheid. De vraag of de Europese economische groei, waarmee de basischemie in de pas loopt, in de loop van dit jaar voldoende accelereert wordt daarmee van groot belang voor de resultaten van Shell.

    • Maarten Schinkel