Reconstructie Srebrenica; Gidsland en genocide

Jan Willem Honig & Norbert Both: Srebrenica: record of a war crime. Penquin, 204 blz. ƒ 23,30

Srebrenica: reconstructie van een oorlogsmisdaad. Spectrum, 240 blz. ƒ 24,90

Het zijn meestal slaperige dorpen die het geweten wakker schudden. Dan is het te laat en heeft de volkerenmoord al plaatsgevonden en vraagt men zich verbijsterd af hoe het zover heeft kunnen komen. Elke oorlog heeft zijn eigen emblemen: plaatsen die tot in lengte van dagen nooit meer onschuldig kunnen worden genoemd. Ouradour, My Lai en inderdaad Srebrenica. Een lijst zonder begin en naar men mag aannemen zonder einde.

De betrokkenheid van de Nederlandse vredeshandhavers bij de val van de enclave in de zomer van vorig jaar heeft Srebrenica tot samenvatting gemaakt van de humanitaire pretenties van parlement, regering én bevolking in ons land. Het is wrang, maar helaas niet toevallig, dat de uitersten elkaar hier hebben geraakt en gevonden: het dieptepunt van de oorlog en het hoogtepunt van de moraal. Wat een heldere scheidslijn tussen goed en kwaad wilde zijn, werd tot een hopeloze verwarring van beide.

Nederlandse politici verdedigen zich met de frase dat het beter is om goede bedoelingen te hebben die schipbreuk lijden dan om geen bedoelingen te hebben. Tegelijk weet iedereen waarmee de weg naar de hel is geplaveid. Het oordeel over politiek handelen hoort vooral betrekking te hebben op de uitkomsten en niet op de motieven. En de resultaten zijn in het geval Srebrenica zonder meer catastrofaal te noemen. Volgens het Rode Kruis zijn er 6546 mensen vermist uit de enclave en naar men vermoed zijn die vrijwel allemaal in de week na 11 juli 1995 vermoord.

Er ligt nu een eerste boek dat de verwikkelingen rond de val van de enclave en de voorgeschiedenis in kaart probeert te brengen. Srebrenica. Record of a war crime van de Nederlandse onderzoekers Jan Willem Honig en Norbert Both. Dit boek zal ongetwijfeld de inleiding zijn op nog veel meer publicaties. Zo verschijnt begin volgend jaar een studie van de journalisten Westerman en Rijs.En dan zijn er nog onderzoeken van het RIOD en Clingendael.

Honig en Both hebben een dwingend relaas opgeschreven dat tegelijk terughoudend is. Juist door die stijlvorm krijgt de dramatiek van de ondergang van Srebrenica relief. Zo wordt met een korte verklaring van een ooggetuige beschreven hoe de paniek de inwoners van Srebrenica beving toen er mogelijkheden waren in maart 1993 om na maanden van isolement, honger en ziekte uit de omsingelde enclave te ontsnappen. Het beeld van moeders die hun kinderen in wanhoop op de trucks van de VN werpen met de gedachte 'als die maar weg zijn', jongere mensen die de ouderen vertrappen en verdringen om maar een plaatsje te bemachtigen ... De lezer kan zelf de rest invullen, de auteurs vervolgen hun relaas.

Ook de opbouw is helder. Honig en Both beginnen bij het einde: de val van Srebrenica in juli 1995. Ze reconstrueren de gebeurtenissen en spoelen dan de film terug aan de hand van twee vragen. Allereerst: waarom waren de Serviërs zo gebrand op Srebrenica en heeft de massamoord zich uitgerekend daar in die hevigheid voltrokken? En vervolgens komt de onvermijdelijke schuldvraag aan de orde: wie heeft welke verantwoordelijkheid te dragen in dit drama of waarom heeft de internationale gemeenschap niet ingegrepen? Op beide vragen geven ze antwoorden die niet echt voor de hand liggen.

De verleiding wordt niet aldoor weerstaan om alles naar het dramatische hoogtepunt van de volkerenmoord toe te redeneren. Menig hoofdstuk eindigt met onheilszwangere zinnen in de trant van 'dat voorspelde niet veel goeds voor de enclave'. Toch geven ze tegelijk aan op welke momenten de afloop niet zo had hoeven zijn als die is geweest. Bijvoorbeeld toen de Bosnische regering in maart 1993 de mogelijkheid die de Serviërs boden om de burgers van Srebrenica te evacueren afwezen.

Lang niet altijd is duidelijk op welke bronnen Honig en Both zich baseren. In de noten wordt naar bekende openbare bronnen verwezen. Dat is controleerbaar. Daarnaast hebben ze gesprekken gevoerd, maar het blijft onduidelijk met wie. Dat kan in een aantal gevallen gemotiveerd zijn door vertrouwelijkheid, maar dan nog was het goed geweest om daar enig inzicht in te verschaffen zonder alle namen te noemen. Want nu komen we bijvoorbeeld uitspraken tegen van VN-topambtenaar Kofi Annan of generaal Wahlgren die nieuwe informatie bevatten, maar waarvan het onduidelijk is waar ze vandaan komen. Wel is duidelijk dat de onderhandelaar namens de Europese Unie, David Owen, een belangrijke bron is en zijn versie van de gebeurtenissen is herkenbaar in vele passages.

Men krijgt de indruk dat naast Owen niet zo heel veel sleutelfiguren uit de VN of de betrokken regeringen zijn gesproken. Wie het geheel overziet moet concluderen dat de reconstructie in Srebrenica. Record of a War Crime vooral is gebaseerd op secundaire bronnen en derhalve niet meer kan zijn dan een eerste, zij het heel verdienstelijke verkenning van de val van Srebrenica. Pas wanneer veel meer van de direct betrokkenen hun verhaal hebben verteld kan preciezer inzicht worden verkregen. Dat is nu eenmaal het nadeel van instant-geschiedschrijving over een zo complexe gebeurtenis. Ook al bevat het boek niet zoveel nieuwe feiten, in analytisch opzicht heeft het wel wat te bieden. In minder dan tweehonderd bladzijden slagen Honig en Both erin om veel draden in de kluwen Srebrenica helder te onderscheiden. De vraag is natuurlijk of hun interpretatie in alle opzichten vol te houden is.

Moraal der troepen

Kijken we eerst naar de reconstructie van de val van de enclave in de zomer van 1995. Veel is inmiddels bekend geworden door journalistiek onderzoek. Wat opvalt is dat de auteurs zich erg inspannen om de verzachtende omstandigheden voor Dutchbat in kaart te brengen. Zo krijgen we een uitvoerig relaas over de slechte moraal van de troepen, vooral door de onmogelijke logistieke situatie waarin ze verkeerden door voedseltransporten die telkens werden tegen gehouden en door een gebrek aan ammunitie en brandstof. Wel wordt nog eens duidelijk hoezeer Dutchbat een cruciale beoordelingsfout maakte door de Servische troepenopbouw niet tijdig te onderkennen als de voorbereiding van een aanval op de enclave.

Een belangrijk element in de val van de enclave was de tussenkomst van de Nederlandse regering - niet alleen door Voorhoeve, maar in aanwezigheid van Kok en Van Mierlo - om luchtaanvallen tegen te houden die de Servische opmars hadden kunnen onderbreken. De vrees voor de Nederlandse gijzelaars in Servische handen was daarbij doorslaggevend. De moslim-tolk van Dutchbat, Nuhanovic, vat goed samen: “Iedereen was bang. De Nederlanders waren bang. Wij waren bang, maar ik weet niet wie angstiger was. Ik denk dat wij veel meer redenen hadden om bang te zijn”.

Uit het boek valt op te maken dat Voorhoeve in de vijf dagen van de Servische opmars zeker twee keer van gedachten is veranderd over luchtbombardementen: eerst tegen, toen voor, toen weer tegen. Maar hij was werkelijk niet de enige. Het bredere beeld van de Verenigde Naties als een byzantijnse bureaucratie wordt op een pijnlijke manier bevestigd. Wie alleen al de onvoorstelbare besluitvormingsmachine voor luchtaanvallen probeert te doorgronden krijgt een steeds wanhopiger beeld van de missie in Bosnië. Het is een opeenstapeling van miscommunicatie, tot en met kapotte faxmachines, die echter de onwil om werkelijke risico's aan te gaan niet mag verhullen.

De tweede vraag van Honig en Both is: waarom liep het uitgerekend in Srebrenica zo verschrikkelijk mis? Interessant is dat ze veel nadruk leggen op de Servische massamoord als een planmatige wraakoefening. In de jaren dat Srebrenica een 'safe haven' was werd de enclave niet gedemilitariseerd, maar werd het als uitvalsbasis gebruikt voor overvallen van moslim-milities op omliggende dorpen. Daarbij zouden minstens 1300 Servische burgers zijn vermoord. Zoals wel vaker vraagt de lezer zich af: wat is de bron?

Een andere reden van de Servische woede tegen Srebrenica was dat het in de Drina-vallei vrijwel de enige haard van verzet was. Hier was het niet gelukt de etnische zuivering te realiseren. In een eerdere slag om Srebrenica in april-mei 1992 werd de stad succesvol verdedigd door de vijfentwintigjarige Naser Oric en zijn troepen. Misschien dat deze tegenslag die tamelijk uitzonderlijk was in het verloop van de oorlog, de Serviërs mede aanzette tot de wraakoefening, die Milosevic al in het voorjaar 1993 aankondigde in een gesprek met EU-onderhandelaar David Owen.

Tegenover deze wil tot etnische zuivering en massamoord stond een halfslachting Nederlands bataljon. Zeer instructief is de geschiedenis die wordt verteld over de reden waarom uitgerekend Nederland in deze klem verstrikt raakte. Dat gaat terug op een nogal losse toezegging van minister van defensie Ter Beek op bezoek in New York bij Boutros Ghali op 7 september 1993. Nederland, dat voorop wilde lopen met toezeggingen over troepen voor de 'veilige gebieden' om zo andere landen over de streep te trekken en zichzelf politiek meer invloed te verschaffen, werd later door de secretaris-generaal van de VN aan die belofte herinnerd. Toen dat gebeurde op 2 november 1993 wist niemand in Den Haag zich aanvankelijk te herinneren dat Ter Beek dat commitment was aangegaan. Maar toen duidelijk werd dat hij iets had beloofd, voelde men zich daaraan gehouden, terwijl tegelijk duidelijk werd dat geen enkel ander land naar Srebrenica wilde.

Dutchbat ging uiteindelijk na enig tegenstribbelen van militairen en parlementariërs met een zwaar gemoed op weg, zonder de mogelijkheid, de opdracht en wil om de enclave werkelijk te beschermen. Honig en Both hebben wel sympathie voor aarzelingen van de militairen, maar benadrukken te weinig dat de hele gedachte van humanitaire interventie voor de krijgsmacht een geweldige werkverschaffing en rechtvaardiging betekende na het einde van de Koude Oorlog.

Nultarief

Ook is van belang dat de auteurs het idee van de veilige gebieden zien als een stoplap, die volgde op de mede door Amerika geïnstigeerde verwerping van het Vance-Owen plan, dat voorzag in de opdeling van Bosnië in tien etnisch min of meer homogene provincies. Ze gaan wel ver mee met de frustraties van Owen over het sneuvelen van zijn plan, maar in een algemene zin lijkt het idee van veilige gebieden wel te beantwoorden aan het gebod dat de Bosnië-politiek van het Westen beheerste: rechtsgevoel tegen nultarief. Men wilde niet de etnische opdeling legitimeren, maar tegelijk was er geen enkele strategie om deze opdeling terug te draaien. Anders gezegd er werd geen uitweg gevonden uit het morele dilemma: hoe het lijden van de bevolking te verzachten, zonder agressie te belonen? Pas na de val van Srebrenica kwam een mogelijke 'oplossing' in zicht.

Tenslotte de vraag: waarom heeft de internationale gemeenschap niet ingegrepen?Velen hebben Dutchbat 'lafheid' verweten. Hier wijken het boek en de publieke verklaringen van de auteurs uiteen. Honig verklaart in de Volkskrant dat Dutchbat 'geen heldenrol' heeft gespeeld. Tegelijk wordt al in de eerste bladzijden van het boek het verwijt dat Dutchbat zich 'laf' heeft opgesteld verworpen. Hoe men het wendt of keert, deze soldaten waren op een missie gestuurd die haaks stond op elke militaire erecode.

Over het geheel genomen wordt de schuldvraag van de militaire naar de politieke kant verplaatst. Dat leidt tot merkwaardige witte plekken. Zo zal men tevergeefs zoeken naar de uitspraken van generaal Couzy die aanvankelijk de genocide ontkende of naar de hele afwikkeling van de kant van Defensie die blunder op blunder stapelde. Mogelijkerwijs dat de auteurs zullen zeggen dat de nasleep hen niet interesseerde, maar deze werpt wel een schril licht op de houding van de Nederlandse militaire top. Bovendien waren de eerste ontkenningen van Couzy al nieuws toen de genocide in Srebrenica nog gaande was.Waar ze op zichzelf gelijk in hebben is dat de militairen strikt genomen een verlengstuk zijn van politiek handelen of juist het gebrek daaraan. Naast de vanzelfsprekende hoofdschuldigen - de Servische daders en hun politieke leiders in Pale en Belgrado - wijzen Honig en Both drie regeringen als hoofdverantwoordelijke aan: de Bosnische, de Nederlandse en de Amerikaanse regering. Zij faalden meer dan de anderen. Dat brengt meer helderheid in de diffuse schuldtoewijzing aan 'de' internationale gemeenschap. Maar is die helderheid wel de juiste?

De Bosnische regering heeft zijn eigen onderdanen als gijzelaars gebruikt om een interventie van de VN af te dwingen. Hoezeer men zich ook wil verplaatsen in de wanhoop van de Bosnische moslims, toch is het moeilijk te aanvaarden dat men eigen burgers opoffert aan strategische manoeuvres. Het boek laat zien hoe de Bosnische premier Silajdzic wél bereid was tot een territoriale ruil van de oostelijke enclaves tegen grondgebied bij Sarajevo, maar anderen zoals vice-premier Ganic daarvan niets wilden weten en juist in de Verelendung van Srebrenica een middel tot morele chantage zagen, die het Westen tot krachtiger interventie zou dwingen. “We zijn bereid om deze mensen op te offeren”, aldus een invloedrijk lid van de Bosnische regeringspartij SDA, Abdulah Basic.

Verder heeft de Bosnische regering weinig tot niets gedaan om de demilitarisering van de enclave werkelijk door te voeren zoals was afgesproken.Daarbij geholpen door de VN, zoals blijkt uit opmerkingen van Kofi Annan. De redenen voor die houding zijn begrijpelijk, want men wist dat de toezeggingen wat betreft de save havens zo zacht als boter waren. Maar tegelijkertijd werd door het gebruik van de enclave als uitvalsbasis aan de Serviërs een argument tot interventie gegeven.

Tweede steen des aanstoots is in de ogen van Honig en Both de Amerikaanse regering, die vooral door de verwerping van het Vance-Owen plan in 1993 de weg naar een veel eerdere vrede zou hebben geblokkeerd. In een meer algemene zin hebben ze gelijk dat de verdeeldheid in de Amerikaanse regering niet echt bevorderlijk was voor een heldere politiek van de VN. Men aarzelde tussen dwang op Servië door luchtbombardementen (vice-president Gore en VN-ambassadrice Albright) en een territoriale ruil die de etnische zuivering zou erkennen en een vredesakkoord dichterbij zou brengen (minister van Christopher van Buitenlandse Zaken).

Het blokkeren in het voorjaar van 1995 van plannen van de generaals Smith en Janvier, die een concentratie van troepen in centraal Bosnië wilden, was een grote fout volgens Honig en Both. Want het opgeven van de enclaves had de mogelijkheden geschapen om veel sneller tot luchtbombardementen over te gaan, omdat de kwestbaarheid van de militairen voor gijzelname dan veel geringer zou zijn. Volgens de auteurs waren het binnen de VN vooral Nederland en de Verenigde Staten die deze strategie met 'moralistische' argumenten hebben tegengehouden: 'een noodlottige vergissing'.

Nederland

Hier zijn Honig en Both op zijn minst veel te eenzijdig in hun kritiek op de Verenigde Staten. Ze lijken zich te laten leiden door de frustratie van Owen over de Amerikaanse rol in de verwerping van zijn plan. Misschien wilden de Amerikanen teveel ineens en waren ze weinig consistent. Maar dat de Fransen en Britten die vier jaar lang de Bosnië-politiek domineerden geen bijzondere verwijten worden gemaakt, terwijl de Amerikanen die uiteindelijk de doorbraak hebben bewerkstelligd de meeste blaam zou treffen van de Westerse regeringen, is niet vol te houden. Geheel in lijn daarmee gaan beide auteurs eigenlijk voorbij aan publicaties waarin de rol van vooral Frankrijk in het opgeven van de enclaves wordt onderstreept. De tamelijk consequente weigering van de Franse generaal Janvier om tot luchtbombardementen over te gaan geeft toch in ieder geval te denken.

Tenslotte de rol van de Nederlandse regering en parlement. De tussenkomst van de Nederlandse regering om luchtaanvallen te verijdelen was essentieel, hoewel de auteurs duidelijk maken dat men in kringen van de VN ongeveer tegelijkertijd tot dezelfde conclusie was gekomen. De vraag is of de voorzichtigheid die de Serviërs bij hun aanval op Srebrenica aan de dag legden - namelijk vijf dagen lang stapje voor stapje waarbij telkens werd bekeken hoe de internationale reactie was - ook het lot van de gijzelaars had gegolden als er wel luchtaanvallen waren uitgevoerd. Alles wat Honig en Both aanvoeren over de Servische benadering wijst erop dat de Serviërs naar alle waarschijnlijkheid het dreigement van het ombrengen van de Nederlanders gijzelaars niet hadden uitgevoerd. Een conclusie die generaal Smith al eerder had getrokken.

Over die inschatting zeggen Honig en Both niet veel. Ook niet over de aanvankelijke eis van Voorhoeve: Dutchbat gaat niet weg zonder meeneming van alle vluchtelingen. Een eis die snel werd vergeten toen Mladic zei: het gebeurt zoals ik het wil. Wel maken de auteurs duidelijk dat de regering andere cruciale beoordelingsfouten heeft gemaakt: men had nooit als enige Srebrenica op zich moeten nemen toen bleek dat alle andere landen weigerden om in deze 'shooting gallery' te gaan zitten. Verder is te lang oogluikend aanvaard dat het bataljon door de Servische blokkades nauwelijks operationeel was. En tenslotte was het voortdurend publiekelijk verklaren door de regering dat men weg wilde uit Srebrenica niet direct een signaal van kracht aan de Servische belegeraars.

Een interessant punt is dat Honig en Both van mening zijn dat de Nederlandse regering te veel militairen naar Srebrenica heeft gestuurd, waardoor de illusie van een militaire verdediging van de enclave werd opgeroepen, terwijl vanaf het begin geen enkele strategie bestond om daadwerkelijk de enclave tegen Servische agressie te beschermen. Beter was het geweest om elke suggestie in die richting te vermijden. Hun oordeel luidt kort en krachtig: de Nederlandse regering en parlement werden geleid door 'een combinatie van onpraktisch idealisme en een moreel meerderwaardigheidscomplex'.

De onderzoeken die nu komen, vooral dat van het RIOD, zullen veel tijd in beslag nemen. Wie het boek van Honig en Both tot zich laat doordringen raakt onder de indruk van de onvoorstelbare complexiteit van de precieze besluitvorming, terwijl tegelijk de politieke onwil om in te grijpen tamelijk eenduidig vaststelbaar is. Na jaren van onderzoek zal het RIOD met een rapport komen dat als een bom in de woestijn ontploft. Te laat om nog werkelijke politieke impact te hebben, wat op zichzelf geen enkele afbreuk hoeft te doen aan de waarde van het historisch onderzoek zelf.

Honig en Both trekken geen algemene conclusies uit de val van de enclave voor het denken over humanitaire interventie. Srebrenica is een klassiek voorbeeld geworden van de morele schemerzone tussen het zogeheten 'handhaven' en het 'afdwingen' van vrede. Afdwingen, dat wil zeggen het gebruik van geweld, betekent het aangaan van risico's die alleen gerechtvaardigd worden door een bedreiging van het eigen land of bondgenoten. Anders gezegd: ultieme offers worden in weerwil van algemene beginselverklaringen niet gevraagd in een situatie die uitsluitend verwijst naar morele verplichtingen. In Bosnië was de eigen veiligheid volgens de meesten niet in het geding. En daarom beperkte men zich tot vredeshandhaving, hoewel er geen vrede was om te handhaven. De algemene les van Srebrenica is: voor zuiver humanitaire verplichtingen wil men geen militaire risico's aangaan.

De treurige conclusie, die na lezing van het boek overblijft, is dat eigenlijk iedereen belang had bij de val van Srebrenica, behalve natuurlijk de betrokken burgers die het slachtoffer werden van de meeste omvangrijke volkerenmoord in Europa na de Tweede Wereldoorlog. Zowel de Bosnische regering die de eigen bevolking opofferde aan een verhoopte Westerse interventie en inderdaad later kreeg wat ze wilde, de Verenigde Naties die zich gegijzeld wisten door onverdedigbare enclaves waar ze een einde aan wilden maken en kregen wat ze wilden, en tenslotte natuurlijk de Serviërs, die hun droom van een groot-Servië een stapje dichterbij brachten en namen wat ze wilden, zij allen maakten zonder veel scrupules uit de nood een deugd.

Het eindoordeel van Honig en Both is genuanceerd - de verantwoordelijkheid is gespreid - en tegelijkertijd vernietigend voor de Nederlandse regering en parlement: “Geen enkel land is zo klemgezet als Nederland en op die manier is de verschrikkelijke leegte van hun 'principiële opstelling' blootgelegd”. Veel goede bedoelingen en hang naar volkenrechtelijk prestige, maar geen enkele wil om risico's te nemen. Gidsland en genocide. Er zijn echter zovelen in Den Haag die zich willens en wetens in deze 'verschrikkelijke leegte' hebben begeven, dat niemand iemand ooit nog ter verantwoording zal roepen.

    • Paul Scheffer