Oud-minister De Korte hekelt rapport Rekenkamer

DEN HAAG, 1 NOV. Oud-minister van Economische Zaken (1986-1989) dr. R.W. de Korte is één van de bewindslieden die worden bekritiseerd door de Algemene Rekenkamer in het deze week verschenen rapport Financiële relaties met grote ondernemingen. De Korte, die een voorlopige versie van het rapport afgelopen zomer kreeg toegestuurd, is het totaal oneens met de conclusies.

“Iedereen kan de plank natuurlijk wel eens misslaan. Dit rapport is daar een duidelijk voorbeeld van. Dat doet geen afbreuk aan mijn hoogachting voor de Rekenkamer, maar op tal van punten zijn de rapporteurs blind voor de feiten.”

De Korte is op weg van Luxemburg naar Parijs, waar de huidige vice-president van de Europese Investeringsbank een zakelijke afspraak heeft. Zijn kritiek spitst zich toe op drie punten: de beschuldiging dat achtereenvolgende bewindslieden van Economische Zaken de Tweede Kamer en de Europese Commissie niet (volledig) zouden hebben ingelicht en onvoldoende zicht hadden op de voorwaarden die ze zelf voor steunverlening hadden gesteld. De Korte, via de autotelefoon: “Als er één onderwerp is waar ik de Kamer over heb ingelicht dan is het dit wel. Dat gebeurde in volledige beslotenheid. Het probleem van de Algemene Rekenkamer is dat ze geen toegang heeft gekregen tot deze informatie. Maar de toenmalige Tweede-Kamerleden Henk Vos, Joost van Iersel en Nel Rempt kunnen beamen dat ik ze volledig op de hoogte heb gehouden van het Fokker-dossier.”

Ook de kritiekpunten van de Algemene Rekenkamer dat “het politieke en ambtelijke toezicht op de naleving van de voorwaarden door Fokker weinig ordelijk is verlopen” en dat het ministerie “genoegen nam met een veel te lage structurele kostenreductie” snijden volgens De Korte geen hout. “Elke zes weken heb ik op het hoogste niveau, de raad van bestuur, bij Fokker overleg gevoerd over onderwerpen als kostenreductie, managementstructuur en toekomstige strategische samenwerking met andere ondernemingen. Wat kon ik nog meer doen? Ik durf te beweren dat er zelden zo intensief contact is geweest tussen een bedrijf en een bewindsman over de voorwaarden voor overheidssteun als in die tijd: de jaren 1988 en 1989.

“Om rendementsherstel te bereiken zouden de kosten op langere termijn met 200 miljoen gulden worden gereduceerd. Of die doelstelling werd gehaald is moeilijk te zeggen. Fokker kreeg de wind in de rug, de markt voor vliegtuigen trok aan. Daardoor namen de kosten om andere reden weer toe. Maar dat wil niet zeggen dat de kosten structureel onvoldoende gereduceerd zijn.”

Ander punt van kritiek: het verband tussen financiële steunverlening door de overheid en behoud van arbeidsplaatsen kon de Rekenkamer niet vaststellen. De Korte: “Het ging bij deze steunverlening aan Fokker om het behoud van zo'n tienduizend arbeidsplaatsen. Daarvoor heb ik 212 miljoen gulden ter beschikking gesteld. Dan kan de Rekenkamer toch niet stellen dat er niet naar de werkgelegenheid is gekeken! Natuurlijk hebben we dat wèl gedaan. Fokker was in liquiditeitsproblemen geraakt en verkeerde in een financiële crisis. Als je zo'n bedrijf dan door middel van een aandelenparticipatie overeind probeert te houden, dan doe je dat onder andere om de banen van tienduizend mensen overeind te houden. Een andere reden is dat het hier gaat om continuering van technologisch hoogwaardige produktieprocessen. Als je dat niet ziet, dan ben je blind voor de feiten.”

Volgens de Algemene Rekenkamer had over de steunverlening aan Fokker “niet op correcte wijze melding aan de Europese Commissie plaats”. “In die tijd gold een ander regime”, zegt De Korte. “De afgelopen tijd heeft die meldingsplicht duidelijker vorm en structuur gekregen. Maar eind jaren tachtig waren wij op grond van de normen die toen golden het beste jongetje van de klas. Wij hielden ons aan de regels. We wisten dat een heleboel andere landen er andere maatstaven op na hielden. Dat is nog steeds zo. Maar het is niet eerlijk om nu, achteraf, te concluderen dat wij het toen niet goed gedaan hebben. Ik heb de indruk dat de Rekenkamer met de ogen van nu naar de situatie van toen kijkt. Ze spijkeren ons vast op de verkeerde maatstaven.”

De meest fundamentele kritiek van de Algemene Rekenkamer kan door De Korte moeilijker worden weerlegd. Dat is namelijk dat het de regering ontbrak aan een duidelijk plan, een lange-termijnvisie. Uit het rapport komt naar voren dat alle kabinetten een hap-snap-beleid voerden met betrekking tot incidentele steunaanvragen. Er is dus niets geleerd van het RSV-debacle, begin jaren tachtig. De Korte: “Als overheid probeerden wij een hoogwaardig bedrijf als Fokker op de rit te houden. Bovendien dreigden overheidsgelden verloren te gaan. Er waren garantiebedragen en ontwikkelingskredieten in het geding. Bij een faillissement van Fokker zouden we dat geld kwijt zijn. De overheid had dus een direct financieel belang. Dat was op zichzelf al reden genoeg om er toen geld in te steken.”