Nou, dat ben jij, met je neefje; Rita Verschuur over haar autobiografie voor kinderen

Toen ze nog Rita Tornqvist heette, schreef ze kinderboeken vol sprookjesachtige verhalen. Nu heeft ze als Rita Verschuur vier boeken gepubliceerd met jeugdherinneringen. Haar dagboeken uit die tijd bleven dicht: “Je moet niet spieken in de werkelijkheid”.

Twaalf jaar was Rita Verschuur en op de eerste bladzijde van haar dagboek schreef ze in parmantige, rechte lettertjes: 'Mijn eerste reis naar Zweden.' Het is een nauwkeurig verslag van haar vakantie, vol netjes ingeplakte zwart-wit prentbriefkaarten van Zweedse kunstwerken en straatjes. Bijna vijftig jaar later begon de nu 61-jarige vertaalster en kinderboekenschrijfster, die vooral bekend is onder de naam Rita Tornqvist, met het opschrijven van haar jeugdherinneringen. Ze publiceert ze onder haar meisjesnaam, Rita Verschuur. Tot nu toe schreef zij vier boeken over haar kinderjaren. Voor deel twee, Mijn hersens draaien rondjes (1994) kreeg zij een Vlag en Wimpel, voor het derde, Vreemd land (1995), vorige maand een Zilveren Griffel. Onlangs verscheen Hoofdbagage, het vierde deel. 'Tussenboeken' noemt Verschuur ze, want het zijn boeken die ook voor volwassenen de moeite waard zijn.

De boeken bestaan uit korte, genummerde herinneringsflarden. Het zijn geen oubollige notities over 'toen ik nog jong was', eerder een 'dagboek achteraf'. Verschuur schreef de fijnzinnige fragmenten in de tegenwoordige tijd, alsof ze nog een meisje is, in beknopte zinnen, origineel en herkenbaar. Haar oude dagboek raadpleegde ze niet, expres niet.

“ 'Echt gebeurd' werkt niet in een boek” zegt Verschuur. Je moet vertrouwen op je intuïtie, het moet van binnenuit komen. Dan wordt het homogeen, een geheel. de geloofwaardigheid wordt groter als je 'het echte' los durft te laten. Maar er is, vooral in de eerste twee delen, geen letter bij gefantaseerd. Ik had de behoefte om te beschrijven hoe het echt was. Iets erbij verzinnen kwam niet in me op, daar zijn die jaren te beladen voor. Er gebeurde zoveel.”

Autoped

Toen Verschuur vier was, brak de Tweede Wereldoorlog uit.

'Ik zigzag op mijn autoped tussen de mensen door en telkens hoor ik dat woord oorlog. (-) Al die mensen zijn vrienden geworden. (-) Als ik mamma zie staan roep ik tegen haar: 'Ik wou dat het altijd oorlog was!' Mamma kijkt me een beetje raar aan. Ik snap niet waarom.' (uit: Hoe moet dat nu met die papillotten, 1993).

Een paar jaar later zit Rita op de basisschool en in 1943 vertelt haar moeder dat zij in haar eentje ergens anders gaat wonen.

In Vreemd land heeft Rita Verschuur er inmiddels een stiefmoeder en -vader bij, en allerlei broers en zussen. Maar helemaal alleen gaat ze in 1948 twee weken logeren bij Zweedse kennissen van haar vader (die handel dreef in Zweden). Eenmaal aangekomen noteert ze: 'Pappa zei dat ik de eerste twee dagen wel niets zou verstaan, maar nu is het al de derde dag en ik versta nog niet veel' - een zin uit het echte dagboek, dat ze laat zien. Het zou zo in haar boek passen, wat niet geldt voor een notitie als: 'Een genoeglijke dikkerd woof naar ons'. Dat klinkt te volwassen voor een twaalf-jarige, ook al schreef ze het destijds wel zo op.

Veel wat in het echte dagboek wordt aangeroerd, is explicieter in de boeken terechtgekomen. De vriendschap met leeftijdsgenoot Britt-Marie, de dochter van de Zweedse familie, krijgt veel aandacht, hoewel die in het echte dagboek meer als een vast gegeven optreedt. Aan een schokkende gebeurtenis, volwassen Zweden gaan ineens poedelnaakt zwemmen, is in het echte dagboek hoogstens een zinnetje gewijd. In Vreemd land staat het uitvoerig beschreven.

Britt-Marie is nog altijd een hartsvriendin. Verschuur vertaalde de boeken voor haar in het Zweeds, voor ze ze hier naar de uitgever bracht: “We stuitten op vreemde dingen. Ik had een meisje verzonnen, omdat ik me op iemand moest afreageren. Zo iemand meende ik niet te hebben. Britt-Marie zei: 'Maar er was toch zo'n vervelend kind dat aldoor kwam.' Toen besefte ik pas goed hoe vaag de grens is tussen verzinnen en herinneren. Ik heb al eerder meegemaakt dat ik iets bedacht, en dat ik daarna ontdekte dat het wel zo gebeurd was.”

Verschuur debuteerde in 1976 met Ze snappen er niets van, een boek over een rebels, achtjarig meisje met een dromerig vriendje. Door volwassenen voelen ze zich onbegrepen, behalve door de zonderling Cornelius met zijn viool. “Het speelt zich af in dezelfde omgeving als de boeken die ik nu schrijf. Ik had de hoofdpersonen een beetje gebaseerd op mijn jongste dochter en haar vriendje. Zelf identificeerde ik me met de moeder, die zich in bochten wringt om haar moederrol op een redelijke manier te vervullen. Maar toen mijn stiefmoeder het las zei ze: 'nou, dat ben jij, met je neefje'. Daar was ik zelf niet opgekomen, maar als je nu in mijn autobiografie ziet wat we allemaal samen deden, dan heeft dat veel met elkaar te maken. Ik ben het langzaam gaan begrijpen. Achteraf bezien is die Cornelius zoals ik vond dat mijn vader wat meer had moeten zijn, een speelse pappa die zijn dochter bloedserieus neemt in haar kinderlijkheid. Toen beschreef ik een ideaal, nu schrijf ik hoe het echt was. Er zijn duidelijk onverwerkte dingen in mijn verleden, anders zou ik die behoefte niet zo hebben.”

Sprookjesvorm

In de twintig jaar tussen debuut en laatste boek maakte Verschuur veel sprookjesachtige verhalen. “Ik zat met zulke persoonlijke dingen, dat ik ze alleen maar in sprookjesvorm weer kon geven. Voor al mijn boeken geldt dat een concreet beeld soms nodig is om herinneringen aan gevoel weer te geven. Bij de sprookjes is het alsof ik vertaal, met beelden in plaats van woorden.”

Gaandeweg veranderde haar manier van werken. Schreef ze haar eerste drie boeken nog volkomen intuïtief, later raakte ze meer bewust van wat ze deed: “Je wordt iets angstiger, voorzichtiger. Processen spelen zich van tevoren in je hoofd af: hoe het verhaal zich moet ontwikkelen, hoe het afloopt. Nu ik mijn herinneringen opschrijf komt de onbevangenheid van vroeger terug. Het enige wat mij nu interesseert, is samen te vallen met het kind dat ik was.”

Vlak voor het eerste autobiografische boek verschenen Achter de bergen ligt de zee (1987), De torenvalk (1990) en Het oude huis op het duin (1991). Niet toevallig eindigen alle drie de boeken met iemand die wegloopt en opnieuw begint. “De hoofdpersoon uit Achter de bergen ligt de zee gaat expliciet terug naar af. Toen ik klaar was met dat boek, verhuisde ik naar Bloemendaal. Ik deed wat het boek aangaf, want in deze buurt ben ik opgegroeid. Hier sleede ik als kind op 't Kopje, hier zwerf ik nu eindeloos rond. Op de hoek van mijn bureau in het nieuwe huis groeide een stapel vodjes met herinneringen. Links en rechts om me heen, alles door elkaar, in de gekste volgorde, onstond het. De vorm van de boeken is niet van tevoren bedacht. Vaak is wat ik als eerste opschrijf, 's nachts of middenin de Kennemer Duinen, als ik even van mijn fiets stap, het beste. Nu het proces eenmaal op gang is, ben ik niet meer te stuiten. Ik voel me helemaal dat kind als ik schrijf. Zo kijk ik dan tegen de wereld aan en dan komt de taal vanzelf.”

Tussen het schrijven van haar boeken door heeft Verschuur altijd vertaald, uit het Zweeds en het Noors. Strindberg onder andere, en de dichter Ekelöf, maar het bekendst is zij misschien wel als vertaalster van het werk van de beide Lindgrens, vroeger Astrid en tegenwoordig Torgny Lindgren. “Ik begon als student, bij uitgever Van der Peet. Ik heb toen alle dertig boeken van Astrid Lindgren vertaald, voordat ik zelf begon met schrijven. Als zij was doorgegaan, was ik misschien nooit begonnen. Ik genoot ervan. En als je De gebroeders Leeuwenhart vertaalt, nou, dan hoef je niet zo nodig een boek te schrijven. Mensen zeiden altijd: Rita, je moet zelf gaan schrijven. Dan dacht ik: dat hoeft lekker nog niet, want Astrid was al achtendertig toen ze debuteerde.”

Plastic speelgoed

Naast de invloed van Astrid Lindgren onderging Verschuur die van Maria Gripe: “Zij was wat alternatiever, net als ik, ik deed een beetje mee met de flower power. Ik laat de achtjarige hoofdpersoon in mijn eerste boek opmerken dat iemand alleen maar plastic speelgoed heeft. Dan zat ik mijn volwassen mening in haar te persen, ik wilde zelf alleen maar houten treintjes voor mijn kinderen. Zulke zinnetjes eruit en het was een beter boek geweest.”

Inmiddels, constateert ze opgelucht, schrijft ze soberder en blijft ze binnen de belevingswereld van het kind: “Ik heb veel aan het vertalen van boeken van Torgny Lindgren, waarvan ik de oerkracht moet zien te handhaven. Zijn taalgebruik is laconiek en onverbiddelijk tegelijk. Ik ben er zelf in mijn eigen teksten strenger door geworden. Ze komen spontaan, dat wel, maar ze moeten net zo geconcentreerd zijn.”

Rita Verschuur werkt nu aan een boek dat opnieuw in 1947 speelt. “Ik houd het meest van de leeftijd elf, twaalf jaar. Een wijze leeftijd vind ik het. Tijdens dat prepuberale stadium maakt een kind zo'n ongelooflijke ontwikkeling door. Kinderen in groep zeven en acht kunnen over alles praten, daarna kom je bij de brugklassers, dat is ineens een naar simplistisch stelletje. Mijn eigen puberteit was niet bepaald boeiend, ik zie me daar niet gauw over schrijven. Annie M.G. Schmidt was altijd acht gebleven. Misschien ben ik voorgoed elf, of twaalf.”

De vier autobiografische boeken van Rita Verschuur, Hoe moet dat nu met die papillotten, Mijn hersens draaien rondjes, Vreemd land en Hoofdbagage verschenen bij uitgeverij Van Goor. Ook de andere in dit artikel genoemde boeken, die ze schreef onder de naam Rita Tornqvist, kwamen uit bij Van Goor en zijn nog verkrijgbaar. Haar debuut Ze snappen er niets van (Ploegsma) is niet meer in druk.

    • Judith Eiselin