'Noordierse politie moet gewoon de straat op kunnen'

Een vredesregeling voor Noord-Ierland vereist ingrijpende hervorming van de Noordierse politie. Ronnie Flanagan, die maandag aantreedt als hoofdcommissaris van de Royal Ulster Constabulary, wil terroristenjagers tot wijkagenten omscholen.

LONDEN, 1 NOV. “We gaan een gevaarlijke periode tegemoet”, zegt Ronnie Flanagan (47), vanaf volgende week hoofdcommissaris van de Noordierse politie. Bij die uitspraak worden de groeven in zijn voorhoofd dieper. Zijn hoofd dat naar rechts neigt, helt verder. In de loop van het gesprek, dat plaatsheeft in het Oude Admiraliteitsgebouw vlakbij Trafalgar Square in Londen, herhaalt hij zijn voorspelling nog twee keer.

Zijn bronnen wil hij niet noemen. Hij mompelt alleen iets over de goede samenwerking tussen de binnenlandse veiligheidsdienst en de politiecorpsen. Maar dat hij over sterke aanwijzingen beschikt voor een nieuwe terreurcampagne van de IRA, het verboden Ierse Republikeinse Leger, daarover laat hij geen misverstand bestaan. Aan de vooravond van kerstmis en in de aanloop naar de verkiezingen verwacht hij bomaanslagen, zowel in Engeland als Ulster. Alle politiecorpsen zijn in verhoogde staat van paraatheid gebracht.

Of het staakt-het-vuren van de protestantse terreurorganisaties een nieuwe bommencampagne van de IRA kan doorstaan, durft Flanagan niet te zeggen. Nadat het republikeinse leger ruim twee jaar geleden een bestand afkondigde, zijn de loyalistische paramilitairen gevolgd, maar alleen zolang de IRA-wapens zouden zwijgen. Dat de loyalisten vasthielden aan hun bestand, zelfs nadat de IRA begin februari weer met aanslagen was begonnen, noemt Flanagan “een opmerkelijk staaltje van terughoudendheid”. Maar hij maakt zich geen illusies. “Elke terreurdaad van de IRA maakt handhaving van het staakt-het-vuren voor de loyalisten moeilijker.”

Hoe paradoxaal het ook klinkt, een nieuwe bommencampagne van de IRA zou best de opmaat voor een nieuw republikeins bestand kunnen vormen, meent de aspirant-hoofdcommissaris. Hij twijfelt er niet aan dat de IRA vroeg of laat toch weer tot een staakt-het-vuren zal besluiten. Niet omdat de organisatie haar doel van een verenigd socialistisch Ierland plotseling heeft afgezworen of moord opeens moreel verwerpelijk vindt, maar omdat de leiding heel goed weet dat ze de strijd met militaire middelen niet kan winnen. Al gaat ze nog eens 25 jaar door.

Uit berichtgeving van informanten blijkt dat de IRA sterk verdeeld is over de voortzetting van geweld. Die situatie bestond al aan de vooravond van het staakt-het-vuren twee jaar geleden, vertelt Flanagan. Om pragmatische redenen vond de leiding dat de strijd beter met politieke middelen voortgezet kon worden. Daar tegenover stonden degenen die wanhopig wilden vasthouden aan hun wapens. En dan had je nog het cynische middenkader dat de politieke strategie van de leiding ondanks grote twijfels wel een kans wilde geven. Zo kwam het bestand tot stand.

Dat het staakt-het-vuren bijna anderhalf jaar later bezweek, had volgens Flanagan te maken met groeiende fricties binnen de IRA. Heel opportunistisch koos de leiding opnieuw voor geweld om een splitsing te voorkomen. Maar de republikeinse legerraad is zich er nog altijd van bewust dat die aanpak op de lange termijn nergens toe leidt.

Van het voortsukkelende vredesproces houdt Flanagan zich verre. Dat is het exclusieve terrein van de politici. Hij zegt alleen dat het thema van de ontwapening waar Britse regering en protestantse partijen zoveel nadruk op leggen, voor de praktijk van de terreurbestrijding van weinig betekenis is. “De kennis van terroristen om met betrekkelijk eenvoudige middelen geavanceerde bommen te maken kun je toch niet ontmantelen. Als de IRA morgen 800 automatisch geweren inlevert, zou de militaire slagkracht van de organisatie nauwelijks afnemen. Bovendien zijn die wapens snel genoeg vervangen.” Maar Flanagan voegt daaraan toe dat een aanzet tot ontwapening, om vertrouwen binnen de protestantse gemeenschap te wekken, wel politieke betekenis heeft.

Sinds Flanagan in 1970 als zoon van een protestantse bootwerker toetrad tot de RUC, heeft hij alle rangen doorlopen. Hij heeft aan den lijve ervaren hoe een doodgewoon politiecorps dat zich bezighield met inbraken en verkeersovertredingen, onder druk van het geweld verhardde tot een semi-militaire organisatie die geobsedeerd werd door terreur. Politiemensen waren altijd gewapend en gingen gekleed in kogelvrije vesten. Ze patrouilleerden in gepantserde auto's, vaak in de rug gedekt door militairen. Ze opereerden vanuit zwaarversterkte vestigingen die politiebureau's werden genoemd.

Flanagan is ervan doordrongen dat de RUC met dit machtsvertoon de escalatie van geweld eerder heeft bevorderd dan geremd. Hij vindt dat de RUC moet worden omgevormd tot “een fatsoenlijke politiemacht die op de gemeenschap is gericht”. Met die transformatie heeft zijn voorganger, Sir Hugh Annesley, sinds het staakt-het-vuren van de IRA twee jaar geleden een eerste begin gemaakt. Flanagan kondigt aan dat hij nog dit jaar met voorstellen komt om dat hervormingsproces te versnellen, ondanks een wederopleving van de terreur.

Met die tranformatie hoopt Flanagan ook het vertrouwen te winnen van de katholieke, nationalistische gemeenschap die de RUC van oudsher als handlanger van de protestantse, unionistische onderdrukkers ziet. Dat beeld wordt anno 1996 nog altijd bevestigd door de eenzijdige samenstelling van het politiecorps. Minder dan tien procent van de 12.000 agenten is rooms terwijl de katholieken ruim veertig procent van de Noordierse bevolking uitmaken.

Voor die wanverhouding stelt Flanagan in de eerste plaats de IRA aansprakelijk, die katholieke (aspirant-)agenten, inclusief hun verre familie, bedreigt met de dood. Bijna 300 RUC-leden zijn door de IRA vermoord. Toch is het volgens Flanagan te makkelijk om alle schuld op de IRA te schuiven. “De RUC is te lang een macho bolwerk geweest. De RUC heeft zich te veel door de protestantse unionistische traditie laten domineren. Daar wil ik verandering in brengen. Maar zo'n verandering kost tijd.”

Sinn Fein, de politieke vleugel van de IRA, vindt dat de RUC niet hervormd moet worden, maar ontbonden. De Social Democratic and Labour Party (SDLP), de grootste nationalistische partij van Noord-Ierland, gaat niet zover maar heeft wel onoverkomelijke bezwaren tegen het 'koninklijk' in de naam van het corps en tegen de eed aan de kroon die politiemensen moeten zweren. Voorstanders van een verenigde Ierse republiek leggen elke verwijzing naar het Engelse koningshuis uit als een voorbijgaan aan hun gedachtengoed.

Opinie-onderzoek wijst volgens Flanagan uit dat die gevoeligheid maar door veertig procent van de katholieke bevolking gedeeld wordt. Toch overweegt hij aan de hartekreet van de nationalistische gemeenschap tegemoet te komen door de RUC een meer neutrale tweede naam te geven, zoals Northern Irelands Police Service. Belangrijker vindt de Noordierse bevolking blijkens het onderzoek, dat de RUC zich ontwikkelt tot een daadkrachtige, dienende, en vooral onpartijdige politiemacht. Een wens die door Flanagan vurig gedeeld wordt. “Het is hoog tijd dat de RUC zich op de vrede voorbereidt.”