Mythomane fictie

Een rechtsgeleerde en een psycholoog, de hoogleraren mr Th.G. Drupsteen (Leiden) en dr W.K.B. Hofstee (Groningen), zitten te puzzelen op het oordeel dat zij - waarschijnlijk volgende week - zullen uitspreken over de handelwijze van de van plagiaat beschuldigde professor René Diekstra.

De hamvraag is eigenlijk of zij de Rijksuniversiteit Leiden zullen adviseren Diekstra te ontslaan. Over de feiten is geen meningsverschil mogelijk - alleen de conclusie kan nog een verrassing opleveren, namelijk als deze zou luiden dat de plagiaris mag blijven.

Daar ziet het intussen niet naar uit. Iemand die door de president van de Koninklijke Nederlandse Acadamie van Wetenschappen, prof. P. Drenth, 'ongelooflijk stom' wordt genoemd, valt moeilijk aan de Alma Mater te handhaven. Behalve zijn omvangrijke schare trouwe lezers heeft Diekstra eigenlijk geen verdedigers. Zijn aanhang houdt het erop dat de psycholoog willens en wetens kapot is gemaakt door journalisten en het slachtoffer is geworden van jaloerse vakbroeders en -zusters.

Het is natuurlijk allerminst verbazingwekkend dat juist wetenschapsbeoefenaren en journalisten fel hebben gereageerd op de plagiaatskwestie. Als er geen sancties zouden staan op overschrijven uit andermans werk, kunnen juist deze beroepsgroepen het wel vergeten nog langer serieus te worden genomen. John Jansen van Galen schreef terecht in Het Parool: 'De grootst denkbare schade aan het instituut (de Leidse universiteit) zou optreden als de indruk werd gewekt dat het niet erg is wanneer professoren zich schuldig maken aan plagiaat op grote schaal.'

Het onbegrijpelijkste element in de hele affaire is tot nu toe de opstelling van Diekstra zelf, nadat Vrij Nederland hem ontmaskerde. Hij schreef in zijn tot dusver laatste column voor de regionale dagbladen die zijn aangesloten bij de Gemeenschappelijke Persdiensten (GPD) dat hij even aan zelfmoord heeft gedacht. Gelukkig heeft hij zo'n drastische uitweg vooralsnog verworpen. Maar hij heeft tegelijk afgezien van een minder dramatische en meer gepaste, zelfs voor de hand liggende stap: de eer aan zichzelf houden en vrijwillig ontslag nemen als hoogleraar.

Nu hij dat heeft nagelaten, komt de kwestie mogelijk in de sfeer van het ambtenarenrecht. Er moet wellicht zelfs over een gouden handdruk worden onderhandeld, hoewel Diekstra in geen geval tot de bedelstaf zal vervallen gezien de financiële opbrengst van zijn kleptomane oeuvre. Het is een intrigerende vraag waarom Diekstra er niet toe heeft kunnen besluiten zelf uit zijn leerstoel op te staan. Hij is met ziekteverlof. Aan welke ziekte hij lijdt, is een medisch-psychiatrisch oordeel waar een leek buiten moet blijven.

Mogelijk lichtte collega-hoogleraar G.A. Kohnstamm een tipje van de sluier op, toen hij als commentaar gaf: 'Diekstra is een heel begaafd man die voortreffelijk college gaf, maar charisma gaat wel vaker samen met een gebrekkige gewetensfunctie. Als je je eigen biografie bij elkaar liegt ben je ver heen, dan heb je alle controle verloren.' De hoogleraar medische ethiek aan de Nijmeegse universiteit, H. ten Have, sprak in hetzelfde verband over het onvermogen innerlijk en uiterlijk van elkaar te scheiden.

In de wandelgangen van de Leidse universiteit (zo heten bronnen die niet genoemd willen worden) heeft de kwaal van Diekstra inmiddels een veelzeggende naam: mythomanie, volgens Van Dale: ziekelijke 'fantasterij en leugenzucht'. Kenmerkend voor deze stoornis is niet alleen dat wie er aan lijdt zijn levensloop verzint - de persoonlijke achtergrond, de identiteit, alles - maar ook en vooral dat de patiënt in de eigen verzinsels gaat geloven. Op Diekstra is het laatste evident van toepassing. Hij kon in een televisie-interview met Paul Witteman geen schuld bekennen, hij gelooft dat hij mocht handelen zoals hij deed, omdat hij een missie uitdraagt waardoor zijn ware identiteit ondergeschikt kon worden gemaakt aan een hoger belang: het troosten en helpen van de depressieve medemens.

Al pratend verstrikte Diekstra zich in steeds ongeloofwaardiger smoezen (er waren per ongeluk bronvermeldingen weggevallen in de onder zijn naam gepubliceerde boeken die door andere auteurs bleken te zijn geschreven). Dergelijke uitvluchten moeten op zich al een hele zelfoverwinning hebben betekend voor iemand die aanvankelijk waarschijnlijk heeft geloofd dat hij zijn populariserende teksten wel degelijk zelf had geconcipieerd.

In veel opzichten is een mythomaan een beklagenswaardige figuur, maar het is tegelijkertijd denkbaar dat juist een schrijver profijt zou kunnen trekken van een stoornis als deze. Voor een romancier zou mythomanie een pracht van een inspiratiebron kunnen zijn, een droomziekte. Positief denkende Diekstra-adepten zullen, zijn lessen indachtig, zeggen: zet het leed om in kracht, grijp je kans, je verdriet voorbij! Ga doen waar je goed in bent: mythes in het leven roepen, ga fictie schrijven. Richt desnoods een patiëntenvereniging op van mythomanen, die elkaar sterke verhalen vertellen en al fabulerend eindeloos stof leveren voor schitterende romans, met de baron van Münchhausen als beschermheer.

Eerder al heeft Diekstra aangekondigd dat hij overweegt opnieuw de pen ter hand te nemen. Hij wil een boek publiceren over alles wat hem de afgelopen tijd is overkomen. 'Ik doe nu onderzoek naar mijn werk en naar mezelf. Als daar een boek over komt, kan iedereen er honderd procent zeker van zijn dat het allemaal van mezelf is.'

Dat is nu precies wat hij beter niet kan beloven, want dat gelooft toch niemand meer. Doe het niet, Diekstra, want dan raak je verstrikt in de paradox van de leugenaar, zoals de Kretenzische profeet die zei dat alle Kretenzen leugenaars zijn. Een meer aan te bevelen strategie is dus: neem maandag ontslag in Leiden en begin aan een roman. Het beste advies - een gedragslijn die Diekstra in staat kan stellen de klap te boven te komen en bovendien de Nederlandse literatuur te verrijken - is verzinsels op te gaan schrijven. Een bijkomend voordeel is dat hij zal ontdekken hoeveel leuker en bevredigender het is zelf iets te maken in plaats van anderen over te schrijven. Het mooiste zou nog zijn, als Diekstra ertoe overgaat zijn mythes te publiceren onder pseudoniem. Dat zou hem in de gelegenheid stellen onder de naam van een ander met zijn eigen veren te pronken.