Muziek

Bij wijze van proef stemde mijn vader toe zetbaas te worden bij meneer Van Dalen, een kennis van hem die aan het Noordplein een muziekhandel dreef en een filiaal op de hoek van de Schiedamseweg en de Schansstraat wilde openen. De crisisjaren hadden hun dieptepunt bereikt, en doordat de bioscopen voor driekwart leeg bleven - de meeste hadden zelfs het variété tussen het voorprogramma en de hoofdfilm afgeschaft - en de besturen van bonden en verenigingen wel wat anders hadden te doen dan voor veel geld feestavonden met artiesten te organiseren, gingen er maanden voorbij dat mijn ouders geen werk hadden.

Dit was dan ook de enige reden waarom mijn vader het aanbod van een vast salaris met vrij wonen, inclusief gas en licht, had geaccepteerd. Niettemin vertrokken wij halverwege de herfst zeer tegen de zin van mijn moeder, die haar hele leven in het oude Noorden had gewoond en meneer Van Dalen niet vertrouwde, naar het westen van Rotterdam, waar we achter een winkel met een aanzienlijke hoeveelheid grammofoons en muziekinstrumenten in de schemerige huiskamer-keuken van een souterrain belandden, vanwaar we door één getralied venster slechts de benen tot op kniehoogte van de voorbijgangers in de opengebroken Schansstraat gewaarwerden. Een schuifdeur scheidde ons van de wildvreemde mensen die via een duister gangetje de gehoorzaal bezochten - de weidse benaming voor een kille ruimte met twee getraliede vensters, rijen kale stoelen langs de even kale wanden, een logge grammofoonkast van gelakt hout die bijou werd genoemd, en een tafel vol grammofoonplaten waarvan de ronde uitsnijding in het midden van de hoezen de beeltenis van het His Master's Voice-hondje vertoonde.

Achter de toonbank voerde een korte trap naar de bovenverdieping, waar onze mooie meubelen in een te kleine kamer stonden gepropt en ik wegens gebrek aan ruimte het slaapvertrek met mijn ouders deelde en op drie stoelen sliep waarover een paar planken en mijn matras waren gelegd, die precies tussen het houten beschot van hun voeteneind en het raamkozijn pasten. Vanuit dit geïmproviseerde bed had ik het uitzicht op het café aan de overkant met druk gesticulerende mannen aan de tapkast, en op de daken van een rijtje vervallen woningen aan de voet van een soort dijk in een lager gedeelte van de Schansstraat. Angstaanjagend was er de gedaante met de zwarte cape en de bivakmuts, die iedere avond uit het niets opdook en als een schim tussen de met rode olielampen afgebakende rioolbuizen, stapels stenen en bergen zand heen en weer drentelde. Mijn vader zei dat het een nachtwaker was die op het materiaal van de opengebroken straat moest passen, maar in mijn ogen was hij een onheilsbode die ons huis in de gaten hield en af en toe van onder de bivakmuts naar het slaapkamerraam leek te gluren, zodat ik doodsbang wegkroop achter het gordijn.

Aangezien er een school voor mij moest worden gezocht - op de vorige had ik in de eerste klas gezeten - bracht ik de dagen in ledigheid door bij Roos en Sarie, twee levenslustige jonge vrouwen die van de gehoorzaal in de zaak aan het Noordplein naar die van het filiaal waren overgeplaatst, waar ze de platen draaiden die de klanten wilden horen. Ze droegen witte jasschorten, zetten thee of koffie op een gaskomfoor en nuttigden ongelofelijke hoeveelheden drop en chocola, die ze ergens op de Schiedamseweg kochten.

Eindelijk was er een meisjesschool in de Hudsonstraat voor mij gevonden, een houten, zogenaamde noodschool op een braakliggend stuk land, waar onkruid en uitgegroeide koolstronken de resten van verdwenen volkstuintjes markeerden.

Door de geringe afmetingen van de ramen was het er zo donker dat er voortdurend een paar schaarse lampen brandden, en daar mijn nieuwe klas een vochtig, naar schimmel ruikend lokaal was vol vreemde kinderen die veel verder waren dan ik, vond ik het er meteen afschuwelijk en keek, zonder me in te spannen om iets van de leerstof op te steken, verlangend naar de woensdag- en zaterdagmiddag uit. Niet dat deze zoveel te bieden hadden. Want omdat ik niet met de schamele buurkinderen van de Schans mocht spelen, hing ik met een mondvol knoopjesdrop tussen de ernstig luisterende bezoekers in de gehoorzaal rond, waar de stemmen van Lou Bandy, Willy Derby en Kees Pruis niet meer waren weg te denken en ik iedere keer bij het horen van hun succesnummers als 'Ketelbinkie', 'Aan de muur van het oude kerkhof' of 'Moeder, ik kan je niet missen' mijn hoofd afwendde om door een mist van tranen naar het nog steeds in deplorabele toestand verkerende plaveisel achter de tralies te staren.

Waarschijnlijk om mij uit de gehoorzaal en de nabijheid van Roos en Sarie te houden, werd ik tot mijn onuitsprekelijke vreugde voortaan op mijn vrije middagen in het Prinses-theater ondergebracht, een bioscoop tegenover ons op de Schiedamseweg, waar een aan de gevel bevestigd bord dat elke week werd vernieuwd de aandacht op de aantrekkelijke mannen en vrouwen in de aangrijpendste drama's of sensationeelste kluchten vestigde. Dankzij mijn vader, die er zo dikwijls op het toneel had gestaan, mocht ik voor niets naar de kindermatinees, waar ik op de eerste rij van het overigens lege balkon Tom Mix, begeleid door het klappertjespistool van de pianist in de orkestbak, dwars over het witte doek zag stormen, en met de twee wezen uit de gelijknamige rolprent door de straten van Parijs dwaalde of als het jongetje met de lange blonde krullen in De kleine lord diens Engelse landgoed betrad - een film waarin Mary Pickford het schier onmogelijke presteerde door niet alleen de rol van de moeder te vertolken maar ook die van de zoon.

Aan het eind van de winter ging meneer Van Dalen failliet en Sarie dood. Opeens verscheen ze niet meer in de gehoorzaal, waar haar jasschort met één mouw binnenstebuiten gekeerd aan een haak hing en Roos met rood beschreide ogen fluisterende gesprekken met mijn moeder hield, die raadselachtige dingen verkondigde als zou het meneer Van Dalens schuld zijn geweest dat Sarie naar een vrouw was gegaan en kort daarop door de broeders van de ziekenauto achterstevoren de trap van haar ouderlijk huis moest worden afgedragen.

De muziekwinkel werd gesloten en meneer Van Dalen liet zich niet meer zien. Roos vertrok met twee opgerolde schorten in haar tas en terwijl er overhaast in het oude Noorden een woning werd gezocht, zaten wij enkele weken tussen kisten en dozen in het souterrain, waar achter de verzegelde deur van de gehoorzaal een vreemde stilte heerste. Een dag voor de verhuiswagen kwam, werd het laatste open gedeelte van de Schansstraat tussen ons en het café dichtgemaakt en was de man met de zwarte cape verdwenen.