MARCEL CARNÉ 1903-1996; Poëtisch realist

De films die de gisteren in Clamart, een voorstad van Parijs, overleden Marcel Carné tussen 1936 en 1946 maakte, zijn beroemder gebleven dan de naam van hun regisseur. Quai des brumes (1938), Hôtel du Nord (1938), Le jour se lève (1939) en Les enfants du paradis (1945) waren hoogtepunten van een stroming in de Franse film die bekend is geworden onder de naam 'poëtisch realisme'.

Alle kwamen tot stand in samenwerking tussen regisseur Carné en zijn scenarioschrijver, de dichter Jacques Prévert (1900-1977). Nadat het duo in 1947 uit elkaar was gegaan, heeft geen van beiden meer hetzelfde niveau weten te bereiken.

Onder invloed van het Duitse filmexpressionisme (met name F.W. Murnau was een voorbeeld van Carné), de kunstmatige Hollywoodbelichting van bijvoorbeeld Josef von Sternberg en het politieke engagement van de Volksfrontbeweging, vormden de poëtisch-realistische films een tussenweg tussen 'een leugen die meer waar is dan de werkelijkheid', zoals Carné's leermeester René Clair het noemde, en de behoefte om de grauwe realiteit van het proletarische Parijs nu eens onverbloemd te tonen. Na de opkomst van het Italiaanse neo-realisme van de jaren veertig en de Franse 'nouvelle vague' van de jaren vijftig, waarin pas goed de straat op gegaan werd, ging aan Carné's werk een ouderwetse studiogeur hangen, en vergaten de nieuwe generaties dat ook hij ooit een vernieuwer geweest was.

Carné werd geboren in Parijs, volgens uiteenlopende bronnen in 1909, 1906 of, volgens de meest betrouwbare, in 1903, als zoon van een schrijnwerker, die aanvankelijk zijn zoon in de zaak nam. Via een baan in het verzekeringswezen, belandde Carné op voorspraak van de bevriende actrice Françoise Rosay in 1926 als assistent-cameraman in de filmstudio. Later assisteerde hij daar regisseur Jacques Feyder, maakte reclamefilmpjes en een opvallende documentaire (Nogent, Eldorado du Dimanche, 1929) en schreef filmrecensies.

Hij debuteerde als speelfilmregisseur in 1936 met Jenny, gevolgd door het invloedrijke Drôle de drame (1937). Behalve Prévert maakte ook een aantal ambachtslieden deel uit van Carné's vaste team: cameraman Eugen Schüfftan, decorontwerper Alexandre Trauner, componist Joseph Kosma, acteur Jean Gabin en later ook de eerder dit jaar overleden, oorspronkelijk Nederlandse editor Henri (Han) Rust. Tijdens de oorlog slaagde Carné erin de joodse Trauner en Kosma aan het werk te houden; Prévert situeerde de scenario's in een mythische (Les visiteurs du soir, 1942) of historische (Les enfants du paradis) context.

Na het internationale succes van het niet alleen in de theaterwereld gesitueerde, maar ook formeel toneelmatige Les enfants du paradis, stelde Carné teleur met Les portes de la nuit (1946), ondanks het imposante debuut van de zanger Yves Montand, die de hoofdrol speelde. Interessant was nog de literatuurverfilming Thérèse Raquin (1953); het modieuze Les trîcheurs (1958) kende een groot commercieel succes.

Nadat de jonge Turken van 'les Cahiers du Cinéma' Carné hadden ingedeeld bij de 'cinéma du papa', kreeg de regisseur alleen nog waardering bij de talloze reprises van Les enfants du paradis, de favoriet van een generatie. Zijn laatste speelfilm, La merveilleuse visite, regisseerde hij in 1974, nog gevolgd door een televisiedocumentaire over de bijbel.

    • Hans Beerekamp