Leugenbaronnen van het fin de siècle

Claus Süßenberger: Abenteurer, Glücksritter und Maitressen. Virtuosen der Lebenskunst an europäischen Höfen. Campus Verlag, 373 blz. ƒ 76,-

'Dasein heißt eine Rolle spielen', luidt de titel van Süßenbergers eerste hoofdstuk, waarmee tevens de toon voor deze cultuurhistorische studie is gezet. Zijn hoofdpersonen, zes mannen en één vrouw (vrijwel allen uit de achttiende eeuw), speelden de rol die zij voor zichzelf gecreëerd hadden met bijzonder veel overgave. Op het eerste gezicht is er weinig of geen overeenkomst tussen een wonderdokter-magnetiseur als Franz Anton Mesmer, een speculant als John Law en een vrouw die als Jeanne Antoinette Poisson werd geboren en als Madame de Pompadour méér dan twintig jaar de maitresse van koning Lodwijk XV van Frankrijk was.

Süßenberger acht de lotgevallen van zijn hoofdpersonen echter kenmerkend voor een fin de siècle-atmosfeer. De maatschappij, zo citeert hij instemmend een pamfletschrijver uit de late achttiende eeuw, ligt vastgenageld aan de folterbank van haar rusteloze fantasie, steeds bereid tot bange afweer of juist van de weeromstuit geneigd zich zonder enig voorbehoud uit te leveren.Zelf schept zij de monsters waarvoor ze vreest, of de idolen aan wier voeten zij neerknielt. De fortuinzoekers van beiderlei kunne, zijn, zo luidt zijn these, een late loot aan de stam van die oude, aristocratische samenleving die niet lang daarna onder het geweld van de revolutie zal bezwijken. Niet alleen de revolutie, maar ook het daaropvolgende industriële tijdperk hebben definitief schoon schip gemaakt met die leugenbaronnen die men volgens hem zelfs als een in vergetelheid geraakte subklasse binnen de aristocratie zou kunnen beschouwen. Aan vermaning of vrome belering had deze tijdens de nadagen van het Ancien Régime een broertje dood. De elite wilde in die fin de siècle stemming bovenal geamuseerd worden en snakte naar het 'sorglose Rundumtalent' met vervalste adelspapieren wiens avonturen soms al tijdens het leven in ongeautoriseerde biografieën op de markt werden gebracht. In feite, zo schrijft hij, is dat Rundumtalent van alle markten thuis en slechts uit op eigen gewin, een toegespitste versie van het aloude ideaal van de aristocratische dilettant die er ook naar streeft in alles wat hij onderneemt de schijn van achteloosheid te wekken. 'Leicht muß man sein, mit leichtem Herzen und leichten Händen halten und nehmmen, halten und lassen'.

De aristocraat, zo zou men Süßenbergers these kunnen samenvatten, voor niets bevreesder dan sleur en verveling, laat zich vermaken en desnoods bedriegen door de charlatan. Deze op zichzelf interessante stelling wordt in het eerste hoofdstuk met zelfverzekerd aplomb gelanceerd. Süßenberger laat er geen twijfel over bestaan dat zijn eigen nonconformistische levensinstelling hem in staat heeft gesteld samenhangen te ontdekken die academische specialisten wel moesten ontgaan.

Romanticus

Het is jammer dat hij er niet in is geslaagd in de biografische schetsen zijn these te staven of zelfs maar enigszins aannemelijk te maken. Wel toont hij zich een voortreffelijk verteller, als een twintigste-eeuwse Baron von Münchhausen tot oeverloze uitweiding geneigd. Gaandeweg raakt hij zelf zo onder de bekoring van het superieure dédain van zijn helden dat hij zijn in het eerste hoofdstuk uitgesproken voornemen vrijwel lijkt vergeten. Süßenberger wil als rechtgeaard romanticus liever bewonderen en vereren dan analyseren.

De Comte de Bonneval (1675-1747), één van die 'autonome persoonlijkheden' aan wie de auteur zijn hart heeft verpand, was achtereenvolgens in Franse en Oostenrijkse dienst en besloot zijn indrukwekkende militaire loopbaan in Istanbul waar hij door de sultan hartelijk werd ontvangen en op 72-jarige leeftijd als Achmed Pascha, generaal in Turkse dienst, de laatste adem uitblies. 'Wat weten wij nu helemaal van mensen uit die tijd, die geheel en al samenvielen met de rol die zij moesten spelen?' verzucht de schrijver. 'Dat met name de geprivilegieerden tot in het kleinste detail hun optreden stileerden en regisseerden als waren er duizend schijnwerpers op hen gericht, onderscheidt hen zeer van de mensen van nu, die zich na gedane arbeid graag koesteren in de warmte van het privéleven.' Sang froid onder alle omstandigheden, ijzeren zelfdiscipline vermomd als 'leichte Lebenskunst', zijn kwaliteiten waarover Süßenberger in vervoering raakt en die hij onlosmakelijk verbonden acht met dat oude Europa dat met de Franse revolutie ter ziele is gegaan.

Kleingeestig

Op de keerzijde van deze deugden heeft de Duitse socioloog Habermas echter met evenveel recht gewezen. Die 'repräsentative Offentlichkeit' had voor menig gekroond of anderszins doorluchtig hoofd het karakter van een gevangeniscel waar dag en nacht het licht blijft schijnen en waar de ongelukkige, geketend aan de plicht te 'repräsentieren', het leven wel moet zien als een levenslange protocollaire dwang. De memoires van de markgravin van Bayreuth, zuster van de Pruisische koning Frederik de Grote, zijn hiervan een goed voorbeeld.

Ridderlijk is een woord dat Süßenberger graag gebruikt en net als voor Don Quichote is ook voor hem een kleingeestige, berekenende mentaliteit het aller-abjectste wat er bestaat. Kunnen grote ontdekkingsreizigers uit de zestiende eeuw als Sir Francis Drake wel aanspraak maken op een dergelijke eretitel? Zij stonden, aldus Süßenberger, slechts aan het hoofd van hun eigen BV Wereldomzeiling en zagen hun manschappen slechts als levende have die gemakkelijk weer te vervangen is. Süßenberger verkiest het gezelschap van libertijnen en maakt hun strijd tegen kerkvorsten en calvinistische kooplieden ook tot de zijne. Hij overlaadt die inhalige fatsoensrakkers met schimpscheuten als ware hij onlangs zelf het slachtoffer geworden van kerkelijke tucht en censuur. Met stadstaten als Venetië en landen als Engeland en de Republiek der Nederlanden waar kooplieden de scepter zwaaien heeft Süßenberger weinig op. In zijn laatste hoofdstuk, gewijd aan Mozarts librettist Lorenzo da Ponte, vermeldt hij dat Da Ponte tijdens een verblijf in ons land het krankzinnige idee had opgevat hier een operagezelschap op te richten. Nooit is het hem slechter vergaan dan in dat 'holländische Elendsquartier' in de laatste jaren van de achttiende eeuw.

De Pompadour

Süßenberger heeft een boek geschreven overladen met anekdotes en biografische bijzonderheden. Geen van zijn hoofdpersonen voldoet echter aan het collektieve profiel van de subklasse die hij met zoveel bravoure in het eerste hoofdstuk heeft geportretteerd. Er is wellicht één uitzondering: Madame de Pompadour, de enige vrouw die in zijn boek voorkomt en die in haar persoon die mengeling van sang froid en souplesse belichaamt die Süßenberger zo onweerstaanbaar vindt. 'Les femmes n' ont point de caste ni de race, leur beauté, leur grâce et leur charme leur servant de naissance de famille', aldus Guy de Maupassant. Die kwaliteiten, vervolgt de Maupassant, maken ook meisjes uit het volk tot de gelijken van hertoginnen. Derhalve kon de markiezin de Pompadour ook aan een van haar minder aantrekkelijke mededingsters schrijven: 'Mevrouw, ik persoonlijk ben zo onfortuinlijk niet op de hoogte te zijn van Uw kwaliteiten. Ook de koning verkeert in het ongewisse, hoewel U niets nalaat wat in Uw vermogen ligt, om zijn aandacht op U te vestigen. Mocht U volharden in Uw pogingen bij de vorst belangstelling voor uw persoontje te wekken, ga, verzoek ik U, rustig met dit schone voornemen verder.Ik schrijf U voor de eerste maal, het zal ook de laatste keer zijn.'

    • Rob de Ruig