Hij had een muze nodig; Picasso's portretten in Parijs

De ontwikkeling van Picasso's portretkunst wordt op een feestelijke tentoonstelling in Parijs gekoppeld aan de verschillende vrouwen in zijn leven. Zo hoort Fernande Olivier bij 'roze periode' en inspireerde Olga Khokhlova hem tot 'de reuzinnen.' Het biografisch duiden van zijn schilderijen is verleidelijk. Maar: “Het prachtige van Picasso is dat alle verhalen wegvallen bij de werkelijkheid van zijn werk.”

'Picasso et le portrait', Grand Palais, métro Champs Elysées-Clemenceau, Parijs, tot 20 januari 1997, iedere dag van 10 tot 22 uur, dinsdag gesloten. 'Picasso. Gravures 1900-1942', Musée Picasso, 5 Rue Thorigny, Parijs, métro Saint-Paul of Chemin Vert, iedere dag van 9.30 tot 17.30 (kassa dicht 16.45), dinsdag gesloten.

In een klein bioscoopje naast het Centre Georges Pompidou draaide de afgelopen weken de film Le Mystère Picasso die Henri-Georges Clouzot in 1955 maakte met de meester in de hoofdrol. Nu er rijen mensen staan voor de tentoonstelling Picasso en het portret in het Grand Palais, en het Musée Picasso minder bekende gravures van de meester tentoonstelt, is de film weg. Er zaten acht mensen in de zaal toen ik hem zag.

Het is een consequent eentonige film, Picasso doet niets anders dan verven. Af en toe wisselt de cineast een woord met de schilder wanneer die een vers doek neerzet en opnieuw aanvalt, zelfverzekerd als een worstelaar die alleen winst kent. Clouzot heeft de totstandkoming van een serie schilderingen vastgelegd met een camera die staat opgesteld achter het transparante doek. Wij zien Picasso's hand niet, maar zijn manier van werken des te beter. Hij gaat als een bezetene tekeer, alsof alles af moet zijn vóór de klok twaalf slaat.

Het mysterie wordt niet opgelost. Welk raadsel bedoelt Clouzot trouwens? Van Picasso's produktiviteit, van zijn vermogen tot vernieuwing in de loop van een leven dat bijna een eeuw omvat (1881-1973), het mysterie van zijn vijftien vrouwen en twintig stijlen? Wat je ziet is fascinerend genoeg: een hevig verfonweer dat het nieuws niet haalt omdat er alweer een nieuwe orkaan in aantocht is. Veel moois verdwijnt onder een volgende golf kleur en beweging. De film van Clouzot is een goede voorbereiding op de tentoonstelling in het Grand Palais omdat de ambiance van een nette expositie snel doet vergeten met wat voor geniale drift Picasso keer op keer toesloeg, tot het resultaat hem genoeg beviel om even op te houden.

De tentoonstelling is dezelfde die eerder dit jaar te zien was in het Museum of Modern Art in New York. De omvang is beperkter (144 in plaats van 220 stukken), de opstelling wat anders - in Parijs moeten de schilderijen voor zichzelf spreken; de boeiende gefotografeerde tijdsdocumenten, vaak ook van Picasso's hand, hangen apart en ook geschreven informatie ontbreekt vrijwel. Maar de opzet van de Parijse tentoonstelling is dezelfde: de ontwikkeling van Picasso's portretkunst laten zien aan de hand van de wisseling van de seizoenen in zijn liefdesleven. Het is een populistische aanpak die volgens zijn vrouwen en kinderen bij Picasso een onmiskenbare geldigheid bezit.

Françoise Gilot, zijn model en gezellin tussen 1943 en 1954, de moeder van zijn zoon Claude en dochter Paloma, zegt in een net gebundelde serie gesprekken met Maurice Fréchuret, de directeur van het Musée Picasso in Antibes, over de verhouding tussen Picasso's schilderijen en zijn vrouwen: “Hij had een muze nodig. Dat verklaart de verschillen en het specifieke van de periodes van Pablo Picasso. Fernande Olivier en 'de roze periode'; Olga en 'de reuzinnen', ook al was zij klein en tenger, hij schilderde haar karakter, niet haar lichaam. Marie-Thérèse Walter en 'de arabesken', als echo van haar soepelheid en aanpassingsvermogen. Dora Maar en 'de vrouwen die huilden', een beeld van haar inwendig drama; en rondom mij voeren de bloemenfiguren de boventoon, en het Leitmotiv van het verband tussen groen en blauw.”

Sensualiteit

Vrouwen die hun minnaars artistieke impulsen beschrijven moeten een bovenmenselijke objectiviteit opbrengen om zich zuiver uit te laten over de rol van hun medeminnaressen. Marie-Thérèse Walter, die Picasso waarschijnlijk al op haar vijftiende leerde kennen en die jarenlang een geheime liefde was naast zijn wettige Olga Khokhlova, één die nog voortleefde 'tijdens' Gilot, bezat niet alleen een soepel aanpassingsvermogen, zij inspireerde Picasso ook tot een frisse sensualiteit die eerst verborgen (zo nodig in de vorm van een gitaar) en later heel openlijk haar weg vindt in Picasso's geschilderd en grafisch werk. Een voorbeeld dat bijblijft is het Liggend Naakt uit 1932, vol krachtige, opgewekte cirkelvormen en met een stralende, gele zon die licht werpt waar je schaduw zou verwachten. Zelfs het op Marie Thérèse geïnspireerde Stilleven (1931) zindert van wat Picasso voor haar voelde.

“Het is mijn ongeluk, en waarschijnlijk mijn genot, dat ik de dingen gebruik zoals mijn passies mij dicteren,” heeft Picasso eens gezegd. “Ieder portret van Picasso is een zelfportret,” schrijft de Franse filosoof Philippe Sollers, die onlangs een essay in boekvorm heeft gewijd aan de schilder. Volgens hem is Picasso, ondanks alle publiciteit rond zijn levensstijl, in zijn motieven een betrekkelijk onbekende gebleven (Picasso, le héros, 112 blz., uitg. Cercle d'Art.).

Dat biografisch duiden blijft verleidelijk. Geen tv-zender, krant of tijdschrift in Frankrijk heeft de laatste weken de kans voorbij laten gaan de vrouwengalerij van Picasso nog eens de revue te laten passeren. Als het helpt schilderijen beter te begrijpen dan kan het geen kwaad. Maar, zoals de kunsthistoricus George Heard Hamilton heeft gezegd: “Picasso is zo lang de meest vooraanstaande kunstenaar van de twintigste eeuw geweest dat het moeilijk is te bevatten hoe weinig er over hem bekend is. En dat weinige is niet veel interessanter dan wat we weten over zijn minder bekende tijdgenoten. Zijn werk was voor hem waar alles om draaide, zowel in zijn openbare als in zijn particuliere leven, en alleen via dat werk kunnen we iets te weten komen over zijn leven voorzover we daar iets over moeten weten”.

Het prachtige van Picasso is dat alle verhalen wegvallen bij de werkelijkheid van zijn werk. Deze tentoonstelling liet, ook de tweede keer dat ik hem zag, een zo overweldigend gevoel van feestelijkheid, van levenslust en schoonheid na, dat het hoogstens anekdotisch interessant is om te weten in welke turbulente fase van zijn volle leven de meester verkeerde toen hij zijn gevoelens uniek vormgaf met verf, houtskool of inkt. Of hij nu aardig of onmogelijk was voor die vrouwen, een meedogenloze verleider of ook een beetje slachtoffer, wat maakt het uit? Zij inspireerden hem tot nieuwe creatieve hoogtepunten. Misschien zocht hij ze wel bij de visuele experimenten die hij hoe dan ook wilde uitvoeren.

Grafiek

De smaak en het talent waarmee William Rubin de oorspronkelijke New-Yorkse tentoonstelling samenstelde, en waarmee Hélène Seckel de soberder expositie in het Grand Palais maakte, is in Parijs goed af te meten aan de vaste collectie in het Musée Picasso. Het museum leverde een derde van de werken op de expositie, wat er over is in het Musée steekt er zo bleek bij af dat het bijna pijnlijk is. Even opvallend is de kracht van Picasso's vaak metalen sculpturen, soms portretterend, die op de grote tentoonstelling helemaal ontbreken. Het transport werd te duur, zei Rubin, maar jammer is het wel.

Het museum in de Marais compenseert het tijdelijk verlies van zijn topstukken door ruimte te geven aan een aantal series zelden vertoonde Picasso-grafiek (1900-1942) uit eigen bezit. Deze tentoonstelling, die woensdag open ging, is een mooie aanvulling op het olieverf-vuurwerk in het Grand Palais. Onnavolgbaar fijn geverfd lijken de vogeltjes op de grafiekbladen, eindeloze zwart-wit variaties in alledaags surrealisme, het is een huiselijke Picasso die tussen het grote werk nog energie heeft om een paar invallen vast te leggen. Van één ets zijn 28 versies, met opeenvolgende kleurlagen te zien. Allemaal bewijzen van Picasso's verbluffende visuele fantasie.

De grote tentoonstelling in het Grand Palais geeft gelijk aan de kunsthistoricus Herbert Read die, nadat hij met zorg een overzicht had gegeven van de stijl-periodes in het werk van Picasso, schreef: “Zo'n chronologisch overzicht heeft ongeveer even veel waarde als een gids van de jungle.” Rubin en Seckel, de makers van de tentoonstelling, wisten dat maar al te goed. Met een kundige en liefhebbende hand hebben zij de beste schilderijen en tekeningen bij elkaar gezocht die de levensloop van Picasso losjes laten zien, mèt alle stijlwendingen.

Huilende vrouw

De eerste zelfportretten zijn al direct raak. Wie op zijn zestiende zo'n priemend portret van zichzelf kan schilderen (met pruik, 1897) en als 20-jarige een zo diep zelfportret schildert (met baard en donkere mantel, 1901) is op weg naar iets groots. Even mysterieus en intrigerend zijn de portretten van Carlota Valdivia (een soort Greco-realisme) en enkele teer doorschijnende uitbeeldingen van Picasso's eerste Parijse vriendin Madeleine, dichter bij symbolisme, Odilon Redon en Puvis de Chavannes dan wat hij later ooit heeft gemaakt.

Snel koerst de tentoonstelling naar eerste vormen van classicisme, kubisme (onder meer een portret van zijn kunsthandelaar Ambroise Vollard uit het Poesjkin Museum in Moskou, ontbrekend in New York), om met steeds verder gesimplificeerd lijn- en kleuronderzoek op vertrouwd Picasso-gebied te komen. Met Olga wordt in de angstaanjagend beenderachtige Zittende Baadster (1930) afgerekend.

Tot de vele hoogtepunten behoren twee portretten die allebei zijn geschilderd op 21 januari 1939. Zij illustreren hoe direct Picasso ziet en schildert wat hij voelt. Op beide schilderijen ligt een vrouw met een boek op de bank voor het raam, waarschijnlijk hetzelfde raam en dezelfde bank. Daar houdt de vergelijking op. Het ene portret, dat van Marie-Thérèse, is een en al ronding en blond behagen. Het andere, van zijn verblekende liefde Dora Maar, is donkerder, scherp en hoekig. Twee jaar eerder stond zij model voor De Vrouw die Huilt, waarvan hij veel variaties maakte. De schilder kon haar niet anders zien dan huilend, ook al huilde zij niet. De vrouw die de wording van Picasso's Spaanse oorlogslamentatie Guernica meemaakte, werd er in zijn ogen deel van.

Maya, dochter van Picasso en Marie-Thérèse uit 1935, en Claude (1947) en Paloma (1949) van Françoise, inspireerden Picasso tot schilderijen die in iedere peuterspeelzaal zouden moeten hangen. Maya in matrozenpak (1938, met een Picasso-pet op), Claude en Paloma (1950, samen in trapauto) en Paloma à l'orange (1951) zijn onsterfelijke lofzangen op het kind-in-de-mens. Het zelfportret in kleurpotlood uit 1972, een jaar voor zijn dood, ademt een genadeloos realisme over het andere uiterste van het leven - de schilder die zichzelf aankijkt is ver heen of kippig, dat weet niemand.

Pablo Picasso zette het leven naar eigen hand, maar hij ontkende zijn lot niet. “Als het er op aankomt heb je alleen jezelf,” zei Picasso in 1932, “Je bent zelf een zon met duizend stralen in je buik. De rest is niets.” Deze tentoonstelling, die niets beweert, bewijst of uitlegt, gunt de bezoeker een paar van Picasso's duizend stralen.

    • Marc Chavannes