Het succes van handelsreiziger Bill Clinton

Bill Clinton: Between Hope and History. Meeting America's Challenges for the 21th Century. Random House, 178 blz. ƒ 33,60

Roger Morris: Partners in Power. The Clintons and their America. Henry Holt, 526 blz. ƒ 54,20

Martin Walker: The President We Deserve. Bill Clinton: His Rise, Falls and Comebacks. Crown, 360 blz. ƒ 54,20

David Mixner: Stranger Among Friends. Bantam, 369 blz. ƒ 45,20

Paul Berman: A Tale of Two Utopias. The Political Journey of the Generation of 1968. Norton, 351 blz. ƒ 47,30

Voormalig president Nixon noemde Bill Clinton een geweldig luisteraar. Hij was niet de eerste die dat opmerkte. Anderen - politici, zakenlieden, schrijvers - zijn eveneens onder de indruk geraakt van de pose die de president aanneemt, van de intensiteit waarmee hij zijn gesprekspartners in de ogen kijkt, aan hun lippen hangt, zodra ze het woord tot hem richten. En toch, de lichaamstaal is misleidend. Wat Clintons gespreksgenoten precies zeggen doet er in veel gevallen nauwelijks toe. Het doel is vooral dat de spreker zich gewonnen geeft. Die moet zich gevleid voelen door zoveel presidentiële aandacht. Clinton verwacht natuurlijk ook dat hij er iets voor terugkrijgt: sympathie op de korte termijn, uiteindelijk steun bij de verkiezingen. Clinton is een politieke handelsreiziger. Hij denkt in stemmen.

Aandachtig luisteren is niet het enige wat de president heeft geleerd. Een wezenlijk onderdeel van zijn recente verkiezingsbijeenkomsten is zijn saluut. Nog niet klinkt het Hail to the Chief, of hij heft zijn rechterhand één, twee, soms drie keer aan zijn slaap, gevolgd door een even krachtig als sierlijk gebaar naar rechts. Vier jaar geleden, tijdens de vorige campagne, liet hij de militaire groet nog het liefst achterwege. Tegenwoordig lijkt het of we een voormalig beroepsmilitair aan het werk zien.

Niets is natuurlijk minder waar. Clinton heeft zijn verleden moeten overwinnen, zijn verzet tegen de oorlog in Vietnam, en tegelijkertijd voor de eerbied van het militaire establishment moeten vechten. In 1992 lag hij herhaaldelijk onder vuur wegens zijn vermeende ontduiking van de dienstplicht. Eenmaal in het Witte Huis dreef hij de toenmalige stafchef Colin Powell tot de rand van insubordinatie met zijn voorstel tot legalisering van homoseksuelen in het leger.

Volgens velen, en niet alleen Republikeinen, bleek daaruit eens te meer dat hij als president ongeschikt was. Het lag misschien niet eens zozeer aan Clinton zelf, nee, het zat dieper. Zoals Bob Dole zei tijdens de Republikeinse conventie in San Diego: Clinton behoort tot een generatie die nooit volwassen is geworden en zich geen opofferingen heeft hoeven getroosten. Waar Dole zelf en Clintons negen voorgangers, van Harry Truman tot en met George Bush, werden gevormd door de Tweede Wereldoorlog, daar zou de huidige president een typisch produkt zijn van de jaren zestig, een decennium waaraan geen zichzelf respecterende Amerikaan meer wil worden herinnerd. Hij zou lijden onder een gebrek aan ruggegraat, niet tough genoeg zijn, geen moeilijke beslissingen durven of kunnen nemen.

Karikatuur

Nu moet worden gezegd dat Clinton in enkele opzichten voldeed aan de karikatuur die met name Republikeinen van hem maakten. Hij rookte wel eens een stickie, had eind jaren zestig een wilde haardos en een baard, droeg coltruien en veel wol, profiteerde van de seksuele revolutie. Hij studeerde aan gerenommeerde universiteiten, Oxford en Yale, wat in Republikeinse ogen al verdacht is. Hij leek wel wat op een hippie, en was wellicht een van de de social engineers die presidenten van Nixon tot en met Reagan inspireerden tot retorisch vuurwerk. Een perfect doelwit, kortom, voor politieke tegenstanders.

Ook in zijn stijl van regeren zouden sporen zijn te vinden van de jaren zestig. De eindeloze en ongedisciplineerde vergaderingen aan het begin van zijn presidentschap zijn berucht. Hij beschouwt het bijwonen van seminars en symposia - met als hoogtepunt de jaarlijkse Renaissance-weekends van netwerkende generatiegenoten waaraan hij ook als president bleef deelnemen - als een vorm van ontspanning. Hij is meer geïnteresseerd in het uitwisselen van ideeën dan in het nemen van een beslissing. Hij praat veel en graag, onder meer over de 'pijn' die hij in zijn huwelijk heeft veroorzaakt, en de 'pijn' van heel andere aard die hij meent waar te nemen bij de Amerikaanse bevolking.

En toch is er met de verwijten aan het adres van Clinton iets merkwaardigs aan de hand. Amerikanen die zich met enige trots rekenen tot de Vietnam-generatie zijn evenmin over hem te spreken. Bij hen overheersen gevoelens van teleurstelling of zelfs verraad. Zij dachten in 1992 eindelijk een geestverwant te hebben gekozen, een vertegenwoordiger van de 'tegencultuur' die zich in zijn jeugd en studentenjaren had ingezet voor de strijd om gelijke burgerrechten voor zwarten en gedemonstreerd tegen de oorlog in Vietnam.

In plaats daarvan kregen ze een president die zich omringt met lobbyisten en schimmige zakenlieden, die net als voorheen Nixon zijn herverkiezingskas laat vullen door het bedrijfsleven. Een president die bereid is zijn overtuigingen op het gebied van gelijkberechtiging van homoseksuelen - in het leger en het huwelijk - uit electorale overwegingen overboord te zetten. Die zijn minister van volksgezondheid ontsloeg nadat zij had gepleit voor seksuele voorlichting op school. Die zei het wetsvoorstel waarin het federale recht op bijstand werd afgeschaft te betreuren, maar het wel ondertekende. Die progressieve Amerikanen vervolgens voorhield dat, indien hij wordt herkozen, bepaalde onderdelen van de wet die hem niet aanstaan in een tweede termijn door hem zullen worden bestreden. Zoals blijkt uit de autobiografie van David Mixner, homoseksueel en als oud-demonstrant tegen de oorlog in Vietnam een oude 'friend of Bill' (FOB), kan hij medestanders als een baksteen laten vallen als zij of hun beleid onder vuur komen te liggen. Beloftes zijn rekbaar zodra ze hem politiek kapitaal dreigen te kosten. 'The guy will pat you on the back while pissing down your leg', zei een vakbondsleider begin jaren tachtig nadat hij de typische Clinton-behandeling had ondergaan.

Spoor bijster

Schrijven over Clinton is lucratief. Er is geen zittende president over wie zoveel boeken zijn verschenen. Hij dient, wegens Gennifer Flowers, Paula Jones, Troopergate, Travelgate, Whitewater, honderden FBI-dossiers en I did not inhale (over het roken van marihuana) natuurlijk alleen de schandaalpers al tot inspiratie. Een groot aantal serieuze auteurs heeft zich daar bijgevoegd. Ook zij zijn in een enkel geval het spoor bijster geraakt en hebben gemeend elk gerucht dat in Arkansas en wijde omgeving circuleert over het vroegere leven van de president te moeten opschrijven.

Een recent voorbeeld is Partners in Power, van de historicus en onderzoeksjournalist Roger Morris. Morris, die in de jaren zeventig ontslag nam als medewerker van Nixon na diens beslissing Cambodja te bombarderen, had aanvankelijk waarschijnlijk hoge verwachtingen van de 42ste president. Hij heeft zijn teleurstelling van zich afgeschreven in een venijnig boek over diens opkomst. Clinton is volgens de schrijver zo corrupt, dat hij in elk fatsoenlijk land achter slot en grendel zou zitten. Zo zou Clinton begin jaren tachtig toestemming hebben verleend om een vliegveld in Arkansas te gebruiken als doorvoerhaven van wapens voor het verzet in Nicaragua, waarbij de piloot op de terugweg ladingen cocaïne en heroïne meevoerde.

Een veel evenwichtiger boek is The President We Deserve, van de Britse Guardian-correspondent Martin Walker. In navolging van een eerdere biograaf, David Marannis van de Washington Post, legt hij er de nadruk op dat Clinton allesbehalve de radicale student en politicus was die tegenstanders en generatiegenoten in hem wensten te zien. Hij was niet of nauwelijks betrokken bij de strijd voor gelijkberechtiging van zwarten. Op de campus werd niet gedemonstreerd tegen de oorlog in Vietnam.

Clinton raakte pas actief bij de protesten tegen het conflict in Vietnam betrokken toen hij werd opgeroepen voor dienstplicht. Daarvoor had hij er, als student in Oxford, vooral eindeloos over gepraat. Na zijn oproep liet hij geen mogelijkheid onbenut om de dienst te ontduiken, maar hij ging niet zo ver de dienst te weigeren. Van belang is in dit verband dat hij in een beruchte brief, die tijdens de campagne van 1992 boven water kwam, schreef koste wat kost 'zijn politieke geloofwaardigheid binnen het systeem te willen behouden'. Walker voegt daaraan toe dat Clinton in Oxford zijn vaderland tijdens talloze discussies met verve verdedigde, op de oorlog in Vietnam na. Hij deelde de mening van anderen niet, als zou Vietnam een logisch gevolg zijn van het Amerikaanse kapitalisme en imperialisme. Het conflict in Zuid-Oost Azië was volgens hem een vergissing, die vrij eenvoudig kon worden rechtgezet.

Eenmaal terug in Amerika schreef Clinton zich in als doctoraal student in de rechten in Yale, ontmoette hij Hillary en begon hij zijn loopbaan in de politiek. Begin jaren zeventig was hij campagneleider in Texas voor de Democratische anti-oorlog kandidaat McGovern. McGovern werd er door partijgenoot Hubert Humphrey en later door Richard Nixon - ten onrechte - van beschuldigd voorstander te zijn van de drie A's: Acid, Abortion en Amnesty. Voor legalisering van drugs en abortus, en amnestie voor ontduikers van de dienstplicht.

Ook Clinton heeft zich, als zogenoemde 'McGovernik', vanaf het begin van zijn carrière tegen dergelijke beschuldigingen moeten verweren. Tijdens zijn eerste campagne, eind jaren zeventig, liet zijn tegenstander foto's van een anti-Vietnam-demonstrant in Arkansas circuleren, in de veronderstelling dat het publiek daaruit de verkeerde conclusie zou trekken: dat het Bill Clinton was. In 1992 werd hem onder meer verweten dat hij als student in Oxford contacten onderhield met communisten in Moskou. Het ironische is dat veel progressieve generatiegenoten van Clinton geloof hechtten aan deze beschuldigingen - die ze als complimenten opvatten. Zij verkeerden in de veronderstelling dat hun president om principiële redenen verzet had aangetekend tegen het conflict in Vietnam, en namen ook zijn later beleden passie voor de burgerrechten serieus.

Schijnheilig

In een verhelderend opstel in de bundel A Tale of Two Utopias geeft de politicoloog Paul Berman drie karakteristieken van de generatie van '68: plaatsvervangende solidariteit met bevrijdingsbewegingen en revolutionairen in de Derde Wereld; voorstander van invoering van totale democratie en een afkeer van de hypocrisie en schijnheiligheid die met het bestaande 'systeem' werden geassocieerd. Ter vergelijking: Clinton voelde niets voor Ho Chi Minh of de Vietcong, hij maakte zich inzake Vietnam enkel zorgen om zijn eigen leven en politieke toekomst. De totale democratie liet hem onberoerd, hij was louter geinteresseerd in een carrière in de Democratische partij. En als gouverneur en president is hij plooibaarder gebleken dan menigeen voor wenselijk houdt. Berman, die in de jaren zestig lid was van de radicale studentengroepering Students for a Democratic Society, schreef onlangs in de New York Times dat hij net zo min als anderen is ingenomen met enkele manoeuvres van Clinton. Maar hij voegde daaraan toe dat de president een uiterst slim politicus is, de eerste sinds lange tijd die Republikeinse beschuldigingen van bande- en wetteloosheid, van gezagsondermijning, van gebrek aan karakter, het hoofd heeft weten te bieden.

Walker zal zich daarin kunnen vinden. Hij noemt Clinton een man van deze tijd, 'in zijn zwakheden en sensuele gebreken, zijn eigenschap om moeilijke keuzes uit de weg te gaan, het nemen ervan uit te stellen tot het bijna te laat is. Hij is spilziek, heeft geen problemen met financiële schuld'. In dat opzicht is hij, concludeert hij, niet anders dan het merendeel van de Amerikaanse bevolking en dus misschien 'de president die Amerika verdient'. Los daarvan moet Clinton volgens Walker tot de rechtervleugel van de partij worden gerekend: daar, waar de meeste stemmen zijn te winnen.

De strijd tussen Dole en Clinton wordt wel gezien als die tussen twee generaties, de culminatie van een interne koude oorlog die de Verenigde Staten drie decennia heeft beheerst. Dat Clinton gaat winnen is, gezien het arsenaal dat de Republikeinen de afgelopen vier jaar tegen hem in stelling hebben gebracht, een klein wonder. Dat hij nauwelijks tot de 'Vietnam-generatie' kan worden gerekend doet daar niets aan af. Politieke tegenstanders hebben geen mogelijkheid onbenut gelaten Clinton als doetje af te schilderen, als een man die het presidentschap onwaardig is. Het Reaganeske saluut dat Clinton de afgelopen maanden tentoonspreidt geeft niet alleen aan dat hij goed toneel kan spelen. Het is ook een wraakoefening.

    • Menno de Galan