Het hemels magazijn

Mijn vader was lid van de Mannenvereniging Schrift en Belijdenis. Eenmaal in de veertien dagen, op donderdagavond, kwamen de Gereformeerd synodale leden van deze vereniging in het Zeemanshuis te Maassluis bijeen om het Woord aan een nader onderzoek te onderwerpen. Voor de pauze hield één der broeders een inleiding over een Bijbels onderwerp.

Na de pauze werd de inleiding besproken en werden er vragen gesteld aan de inleider. Gemiddeld eenmaal per jaar moest mijn vader zo'n inleiding houden. Was eenmaal een onderwerp gevonden, bijvoorbeeld 'Ruth op de dorsvloer' dan werden de zogenaamde bronnen uitvoerig geraadpleegd. Mijn vader leende deze bronnen - gewoonlijk de werken van Dr. Abraham Kuyper - van broeder Koevoet. Bijvoorbeeld de drie delen over de Gemeene Gratie, een werk waarin ik, altijd weer verbaasd over het woord Gemeen in de titel, zelf ook regelmatig heb zitten lezen. Kuyper schreef bepaald wijdlopig, en hanteerde een hoogst curieus, maar wel smakelijk Nederlands, maar wat hij te berde bracht was voor mij op die leeftijd toch moeilijk te begrijpen. Mijn vader had er trouwens ook moeite mee, en menigmaal heeft hij zijn zwager, oom Piet Polhuys, ouderling te Leiderdorp, benaderd voor één zijner fameuze inleidingen. Kreeg hij zo'n inleiding, dan leerde mijn vader die uit het hoofd. De deuren tussen voor- en achterkamer gingen dicht, en in het lege voorkamertje oefende mijn vader met luide stem de inleiding. Zo werden wij een week lang - want ondanks die dichte deuren was alles woord voor woord te verstaan - elke avond getrakteerd op een inleiding van Oom Piet Polhuys over 'Het hemels magazijn'. Ik zou hem haast woord voor woord nog kunnen opschrijven. Het probleem dat Oom Piet aansneed was het volgende. In de drie synoptische evangelieën wordt verhaald hoe Christus, die naakt aan het kruis hing, na zijn dood in 'fijn lijnwaad' zoals de Statenvertaling zegt, wordt gewikkeld, alvorens hij in een nieuw graf wordt gelegd. In het evangelie van Johannes lezen we: 'Zij namen dan het lichaam van Jezus, en bonden dat in linnen doeken met de specerijen, gelijk de Joden de gewoonte hebben van begraven.' In de Nieuwe vertaling is het woord lijnwaad overigens vervangen door linnen.

Toen Jezus na anderhalf etmaal opstond uit de dood, en die linnen doeken van zich af schoof, had hij dus geen kleren aan. Oom Piet wees er in zijn inleiding fijntjes op dat hij nog nooit in enige theologische verhandeling mededelingen had aangetroffen aangaande het feit hoe Christus vervolgens aan kleren was gekomen. Want dat hij naakt uit het graf zou zijn verrezen, en aldus aan Maria Magdalena zou zijn verschijnen, was uiteraard ondenkbaar. Maar waar haalde hij dan passende kleding vandaan? Volgens oom Piet had een engel een greep gedaan in 'een hemels magazijn' zoals hij het noemde, en voorafgaande aan de opstanding, discreet een stapeltje kleren aan Jezus' hoofdeinde gelegd.

Mijn vader vond dat wel een aannemelijke oplossing, maar toen hij een keer of drie die inleiding met daverend stemgeluid in ons voorkamertje had geoefend, kwam hij toch met een interessant addendum. Zijn inziens was het niet ondenkbaar dat Jezus wel degelijk naakt het graf had verlaten, eventueel met zo'n linnen doek omgeslagen, en naar het aldaar ongetwijfeld ook aanwezige baarhuisje was gelopen (want op welk kerkhof was nu geen baarhuisje aanwezig?) en zich in alle vroegte tijdelijk in de kleren van de grafmaker had gestoken. In het baarhuisje van de begraafplaats waarop mijn vader werkte, hing namelijk altijd in een kast een extra manchesterbroek en een extra werkoverhemd. Zoiets had allicht ook in de kast van het baarhuisje gehangen van de begraafplaats waar Jezus ter ruste was gelegd. Dat had hij aangetrokken. Als je dat aannam, viel ook beter te begrijpen wat ons in het Evangelie van Johannes wordt verhaald. In vers 15 van hoofdstuk 20 lezen we dat Jezus tegen Maria Magdalena zegt: 'Vrouwe! wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij meenende, dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heer! zoo gij Hem weggedragen hebt, zeg mij waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen.' En dan volgt de ontroerende tekst: 'Jezus zeide tot haar: Maria! Zij, zich omkeerende, zeide tot Hem: Rabbouni!'

Dat Maria Magdalena Jezus aanziet voor de hovenier, oftewel voor de aldaar in functie zijnde grafmaker, wees er volgens mijn vader op dat hij het baarhuisje was ingegaan en zich in de kleren had gestoken van de doodgraver.

Het was niet zo eenvoudig om dit addendum naadloos toe te voegen aan de inleiding van Oom Piet. Die werkte in zijn bijbeloverdenking zo fraai toe naar de briljante oplossing die met de woorden hemels magazijn scherp gedefinieerd is, dat het een beetje een anticlimax was om er ook nog aan toe te voegen dat Jezus eventueel gewoon de kleren van de hovenier had aangetrokken en dat Maria Magdalena zich daarom vergiste. Maar omdat ik op school zo goed was 'in opstel' vertrouwde mijn vader mij de taak toe om een en ander netjes aan elkaar te vlechten. Ik heb, zoveel mogelijk zijn nogal gezwollen stijl imiterend, de inleiding van Oom Piet aangevuld met een bladzijde proza over de hovenier. Mijn vader oogstte veel succes met 'Het hemels magazijn'. Typisch een onderwerp voor een grafmaker, zei men in het Zeemanshuis na afloop van zijn betoog. Na een verhitte discussie bleek overigens, voornamelijk op grond van het feit dat er ook engelen bij het lege graf waren gesignaleerd, dat de hemels magazijn-hypothese meer aanhangers had dan de hovenier-hypothese.

    • Maarten ’t Hart