Herinneringen van Günter de Bruyn; Een Ossie die niet klaagt

Günter de Bruyn: Vierzig Jahre. Ein Lebensbericht. S. Fischer, 267 blz. ƒ 55,70 (geb.)

Günter de Bruyn velt een streng oordeel over zichzelf in zijn autobiografische verslag Vierzig Jahre. Terugkijkend op zijn schrijverscarrière in de DDR bekent hij dat hij bang en laf geweest is. Zijn vaststelling lijkt voor de hand te liggen: dat onderdanen in een dictatuur door angst worden geregeerd is immers allang geen nieuws meer.

Toch passen de meeste DDR-schrijvers er wel voor, zichzelf openlijk van al te menselijke zwakheden te beschuldigen. Met ijdelheid heeft dat te maken maar ook met de onwil om de rol van foute Duitser op zich te nemen en zo de superioriteitsgevoelens van de Wessies nog eens extra aan te wakkeren. De schrijvers in het socialistische Oosten leerden nu eenmaal van hun leiders dat je de imperialistische vijand in het Westen nooit van munitie mag voorzien. Dus houden zij zich op de vlakte, wat Christa Wolf doet in haar post-1989-bundel Auf dem Weg nach Tabou. Of ze verzwijgen cruciale zaken zoals hun Stasi-medewerking, wat de inmiddels gestorven Heiner Müller doet in zijn autobiografie Krieg ohne Schlacht.

De Bruyn daarentegen houdt zich zelden op de vlakte en in plaats van onaangename herinneringen te omzeilen zoekt hij die juist op. En daarmee roept hij, bij mij althans, geen leedvermaak op maar een zeker medeleven. Dit medeleven wordt niet gewekt door een emotionele manier van schrijven, want de nu 70-jarige De Bruyn is een man van de rede. De vele enerzijds-anderzijds-zinnen komen van een auteur die zijn formuleringen kalmpjes pijprokend gewikt en gewogen heeft alvorens ze op het papier los te laten. Door de bedachtzame toon is zijn autobiografie ongeschikt voor sensatiezoekers. Wie echter meer wil weten over de nuances van het woord 'geschipper' kan bij De Bruyn terecht.

Hoezeer hij in de DDR bereid was tot compromissen blijkt al uit het eerste hoofdstuk van zijn chronologisch vertelde verhaal. Als literair begaafde jongeman kreeg hij een baan in het bibliotheekwezen, wat inhield dat hij lijsten moest maken met boeken die wel en boeken die niet uitgeleend mochten worden. Alle lectuur die naar kapitalisme, revisionisme en fascisme riekte diende geruisloos uit de bestanden te worden verwijderd. Boekenvriend De Bruyn werkte vlijtig mee aan deze 'volkspedagogische maatregel' en nog steeds schaamt hij zich ervoor, vooral omdat hij destijds uit zijn gêne niet de conclusie trok 'dat meedoen medeschuldigheid betekent'. In plaats daarvan hield hij koppig aan de mening vast 'dat je, om erger te voorkomen, erge posten zo mogelijk moest bezetten'. En met dat 'je' bedoelt hij dan zoiets als: het reservoir van fatsoenlijke mensen. Die steeds hopelozer verstrikt raakten in het paranoïde DDR-systeem.

Zo ook Günter de Bruyn. Privé sombert de jonge bibliothecaris dat 'staten die voor een verre toekomst de hemel op aarde beloven in het heden de hel zijn' - maar op kantoor schrijft hij een opgetogen bibliografie over het taalkundige werk van Stalin. Bij een vriend thuis leeft hij zijn Sturm-und-Drang-periode uit, op zijn werk doet hij doorgaans doods zijn plicht. Wanneer hij zijn baan opzegt om freier Schriftsteller te worden raakt hij zijn plichten niet kwijt. Integendeel: al gauw moet hij dingen doen die hij hartgrondig haat. Lezingen houden in het kapitalistische buitenland bijvoorbeeld, opdat de wereld ziet dat de DDR ook kritische schrijvers tolereert.

Nu wordt het pas echt ingewikkeld. In het Westen moet hij een vredelievende indruk maken, dus rust er een tijdelijk verbod op vertrouwde uitdrukkingen als 'reactionair' en 'klassenvijand'. Tegelijkertijd mag hij niet de verdenking op zich laden een kapitalistenvriend te zijn. Het is dus spitsroedenlopen geblazen, en De Bruyn benadrukt keer op keer dat dit hem niet geweldig afging. Altijd had hij last van gebloos en gehakkel en zo strompelde hij van flater naar flater. Hoewel de ik-verteller vast ook uit berekening als symphatiek verliezerstype poseert, wil ik best geloven dat de bijwerkingen van zijn schrijverschap hem slapeloze nachten bezorgden. Zijn psyche, noteert hij ergens overtuigend, aarzelde voortdurend tussen 'schaamte, trots, angst voor blamage en voorzichtigheid' en 'schreeuwde om een beslissing'.

Maar het besluit de DDR te verlaten neemt hij niet. Günter blijft bij zijn moeder en bij zijn geliefde berkenbossen. De ommuring van de DDR in 1961 lost het keuzeprobleem voor hem op: vluchten naar West-Duitsland is nu zo goed als onmogelijk geworden. Hij resigneert, hij schrijft, hij oogst succes met de roman Buridans Esel. Hij kan er niet van genieten. De vernederende onderwerping aan de wil van de Partij, de censuur, de intimidaties: zo overstuur raakt hij ervan dat hij aan het eind van de jaren zestig in een kliniek moet worden opgenomen. Zijn opname, die hij als een weldadige vakantie ervaart, heeft hij aan Christa Wolf te danken.

In haar vindt hij een geestverwant, iemand die net zo aan de DDR lijdt als hij. Met haar en met nog een paar andere schrijvers ondertekent hij in 1976 de petitie tegen de uitwijzing van zanger Wolf Biermann en door dit gezamenlijke protest krijgt hij een beetje moed. De kluizenaar uit de Brandenburgse wouden zoekt aansluiting bij diverse oppositionele clubjes die in de jaren tachtig als paddestoelen uit de DDR-grond schieten. Door een smerige pornografische brief maakt de Stasi een eind aan De Bruyns samenwerking met een opstandige dominees, maar de schrijver is niet meer te stuiten: tientallen jaren van 'halfslachtigheden, lafheden en nalatigheden' wil hij goedmaken, en dat alles liefst meteen.

Het is dan al 1989. Sceptisch peinst de auteur: 'De soevereiniteit die ik, Spätentwickler, had gevonden, was de staat inmiddels kwijtgeraakt. (...) Misschien was dat wat ik als persoonlijke verdienste beschouwde slechts een uitvloeisel van de stroom der tijd.' De Bruyns bescheidenheid klinkt in Vierzig Jahre oprechter dan in Zwischenbilanz, dat in Nederland onder de titel Verschoven stad werd uitgebracht. Dit eerste deel van zijn autobiografie verscheen vier jaar geleden en beide delen gaan over leven in een onverbiddelijke staat, eerst onder Hitler, dan onder Walter Ulbricht en Erich Honecker. Maar in Zwischenbilanz stoorden de al te zeer door terughoudendheid gemaskeerde zelfrechtvaardigingspogingen van de verteller. De Bruyn leek nergens echt spijt van te hebben, ook niet van zijn bij de Wehrmacht begane (en amper in beeld gebrachte) wreedheden. Toen was hij, vindt hijzelf, immers nog niet volwassen. In deel twee, dat over zijn Mannesjahren handelt, eist hij wèl zijn deel op van de collectieve schuld - zonder in zelfverwijtend geweeklaag te vervallen.

Vierzig Jahre is inderdaad een volwassen boek. Evenwichtig is het en zeer verhelderend, omdat de zo dikwijls weifelende held een doorsnee mens is in wie de lezer, en niet alleen de Oosteuropese, zichzelf al snel herkent.