Gezichten op de bodem van de put

Tom Wicker: Tragic Failure. Racial Integration in America. Morrow, 218 blz. ƒ 56,-

Als alle verwaarloosde stakkers samen een partij zouden beginnen, dan zouden ze het aanzien van de Amerikaanse politiek veranderen. Dat propageert de journalist Tom Wicker in Tragic Failure, zijn boek over de mislukte integratie van zwart en blank. Hij hoopt dat een dergelijke coalitie van armen, met name arme zwarten, de politieke agenda van de Democraten weer op het links-liberale spoor zou zetten. Maar uit zijn relaas blijkt dat een dergelijke solidariteit tussen zwart en blank helemaal niet bestaat in de Verenigde Staten. Ook arme sloebers willen op anderen kunnen neerkijken. Vooral wanhopige armen komt het goed uit als zij net een streepje voor hebben op een ander bij het krijgen van een baantje. De zwarten dienen als de hekkesluiters, de paria's. Zij zijn de gezichten 'op de bodem van de put'.

De links-liberaal Wicker, voorheen columnist en chef politieke redactie voor The New York Times, is teleurgesteld over het mislukken van de integratie tussen zwart en blank sinds de Burgerrechtenwetgeving van 1964, die formeel een einde maakte aan raciale segregatie. Terwijl conservatieven in de mislukte integratie het bewijs zien dat overheidsingrijpen niet helpt, vindt Wicker dat de overheid juist méér had moeten steunen. Hij komt zelf uit de zuidelijke deelstaat North Carolina en schaamt zich ervoor dat hij ooit vanzelfsprekend de gesegregeerde wc's gebruikte van de regionale krant waar hij toen werkte, terwijl de enkele zwarte collega - die een inlegpagina voor 'zijn eigen mensen' verzorgde - een aparte wc had.

Gescheiden restaurants, bioscopen en cafetaria's bestaan niet meer, maar een derde van de zwarten - 12 procent van de bevolking - leeft nog in armoede, versus een tiende procent van de blanken. Slechts 43 procent van de zwarten verdient ten minste tweemaal het minimumloon, en dat is minder dan bij andere bevolkingsgroepen.

Politiek hadden zwarten sinds de moord op Martin Luther King in 1968 de wind tegen. Toen het Congres de Burgerrechtenwetgeving aannam, zei president Johnson tegen een medewerker dat de Democraten daarmee het Zuiden in elk geval voor de rest van zijn leven hadden verloren. De Republikeinen veroverden inderdaad het Zuiden en Johnson werd opgevolgd door een reeks Republikeinse presidenten, met alleen na het Watergateschandaal een korte onderbreking door de Democraat Jimmy Carter. De Democraten, nog dominant in het Congres, moesten de verzorgingsstaat verdedigen. Toen de Republikeinen in 1994 het Congres overnamen, zwaaide president Clinton mee naar rechts om zijn presidentschap te redden. Gevoelig voor de tijdgeest bezuinigt hij op de bijstand en andere sociale voorzieningen.

De verzorgingsstaat is belangrijk voor zwarten, want alle kwalen van de Amerikaanse samenleving treffen hen het hardst: geweld, misdaad, lange gevangenisstraffen, doodstraf, tienerzwangerschappen, gebroken gezinnen, werkloosheid en raciale vooroordelen. Zwarten die geslaagd zijn in het leven, scheiden zich in hun vrije tijd nu vrijwillig af van de blanke maatschappij, omdat ze daar vaak worden geassocieerd met een onderklasse en voor criminelen of bedienend personeel worden aangezien.

Vooral zwarte mannen hebben geleden onder de verdwijning van goed betaald ongeschoold of ambachtelijk, industrieel werk. In de grote steden had in 1970 veertig procent van de zwarten - en 22 procent van de blanken - goedbetaald ongeschoold of ambachtelijk-industrieel werk, waarmee ze een gezin konden ondersteunen. Veel van dergelijke produktie-arbeid verdween bij de automatiserings- en saneringsgolven van de jaren zeventig en tachtig. Nieuwe ongeschoolde banen ontstonden in de dienstensector: Mc Donalds, grootwinkelbedrijven, beveiliging. De lonen daar komen echter nauwelijks boven de bijstand uit en dat motiveert niet tot werken. Bovendien verdringen nieuwe immigranten de autochtone zwarten uit de arbeidsmarkt. De relatief goedkope drug crack ging als een heidebrand door de zwarte wijken en veroorzaakte een explosie van misdaad en moorden. Daarbij wordt het geringste drugvergrijp nu zwaar gestraft, vooral het bezit van de armeluis-drug crack.

Ruim eenderde van de jonge, zwarte mannen tot 24 is nu werkloos. Waren er in de arme wijken van Chicago zeventig werkende mannen op elke honderd vrouwen, nu zijn dat er nog maar twintig. Arme zwarte vrouwen hebben mannen alleen nog nodig als verwekkers van nageslacht. Als moeders zelf geen baan vinden, geeft de overheid bijstand. Meer dan tweederde van de zwarte kinderen wordt in een éénoudergezin geboren.

Wicker geeft een indrukwekkende opsomming van zulke cijfers, maar in zijn analyse blijft hij de voormalige Southern Boy. De tegenstelling tussen zwart en blank overheerst weliswaar nog in sommige zuidelijke deelstaten maar is in de rest van het land allang vergruisd door de massale immigratie van Latino's en Aziaten. De ereschuld aan zwarten wegens de slavernij en segregatie uit het verleden heeft plaatsgemaakt voor het gevoel dat zwarten zèlf schuldig zijn aan hun lot. Oudere Amerikanen vinden dat de overheid met de opheffing van segregatie en sommige sociale maatregelen genoeg heeft gedaan en dat het niets heeft geholpen. Jongere blanken, die de tijden van segregatie niet hebben meegemaakt, vragen zich af waarom zwarten zo moeilijk doen en jongere zwarten hebben in hun leven alleen maar achteruitgang meegemaakt. Ongeschoolde immigranten kijken graag neer op de zwarten in hun buurt die voor een schamel loon niet willen werken. De samenleving eist dat de Afrikaans-Amerikanen vier eeuwen systematische cultuurvernietiging en vernedering in één generatie goed maken.

Onder de conservatieven hebben zich inmiddels ook zwarte intellectuelen gevoegd. Zij nemen intensief deel aan het sociale debat over bijstand, éénoudergezinnen en misdaad. Volgens Henry Louis Gates, hoogleraar aan Harvard, moet de verzorgingsstaat de culturele autonomie voor zwarten ondersteunen: geen integratie dus. De conservatieven Shelby Steele en Thomas Sowell vinden juist dat zwarten moeten integreren en ophouden zich druk te maken over racisme. In The End of Racism wijt de Indiase immigrant Dinesh D'Souza de geringe ondernemingslust van zwarten aan hun te grote afhankelijkheid van de overheid en cultuur van zelfbeklag. Hij vraagt zich af waarom zwarten nauwelijks meer eigen ondernemingen bezitten dan Koreaanse immigranten, die in bevolkingsomvang minder dan een twaalfde procent uitmaken.

De ongunstige statistieken over zwarten bevorderen intussen allerlei stereotiepen. Zelfs oudere zwarten zijn nu, bijvoorbeeld in de metro, banger voor zwarte dan voor blanke jongens. Van de zwarte mannen tussen 18 en 35 in Washington is 15 procent in de gevangenis, 21 procent in voorwaardelijke vrijheid en wordt 6 procent gezocht door de politie. Geen wonder dat zwarten en blanken liever oversteken als ze op straat een zwarte jongeling op nieuwe sportschoenen hun pad zien kruisen.

Politieke leiders, onder wie Jesse Jackson, hebben herhaaldelijk geprobeerd om een 'Regenboogcoalitie' in het leven te roepen tussen blank, gekleurd en zwart. Tevergeefs: de armen zijn te cynisch over de slagkracht van de politiek en de overheid. Arme jonge zwarten helpen zichzelf liever met de opbrengsten van drugshandel en bende-activiteiten. Zelfs de populistische zwarte racist, Louis Farrakhan, heeft hen met zijn anti-drugsboodschap niet kunnen inspireren. Totnogtoe hebben alleen getto-opstanden tot verbetering geleid.

Wicker komt in dit boek niet verder dan traditionele, links-liberale recepten om de situatie te verbeteren. De meeste daarvan, scholing, gezondheidszorg, woningbouw, betere uitkeringen, banenplannen, komen vooral ten goede aan de meer dan drie keer zo talrijke niet-zwarte armen. Positieve discriminatie lekt weg naar andere groepen dan zwarten, zoals latino's, Aziaten en vooral vrouwen. Versterking van de verzorgingsstaat zou het dagelijkse leven van arme zwarten draaglijker maken maar hun positie als underdogs niet verbeteren. Daar zijn generaties geduld voor nodig.

    • Maarten Huygen