Een tovenaar op overschoenen; Erik Vos neemt afscheid bij De Appel

Na 25 jaar artistiek leiderschap vertrekt oprichter-regisseur Erik Vos bij toneelgroep De Appel. Regisseurs en acteurs als Theu Boermans, Geert de Jong, Carol Linssen en Lodewijk de Boer schetsen een portret van de 'veeleisende theaterman'. “Zijn klassieke ensceneringen hebben romantische passie, retoriek en beweeglijkheid. Ze zijn zoals hij is.”

Koning Oidipous en Oidipous in Kolonos van Sophokles in de regie van Erik Vos. In de grote zaal van het Appeltheater, Duinstraat 6, Den Haag. Aanvang 19.30u. T/m 1 februari. Inlichtingen: 070-3502200. Op 4 t/m 8, 9, 11 en 13 februari in Theater Carré in Amsterdam.

Plannen heeft hij genoeg. Er zal eindelijk eens alle tijd zijn voor de kinderen, kleinkinderen, voor reizen en verre vrienden. En voor een boek. De 500 bladzijden met notities over zijn theaterervaringen die hij in de loop der jaren heeft gemaakt wil hij gaan uitwerken. Erik Vos is 67. Na 45 jaar artistiek leiderschap is hij toe aan 'ademscheppen'.

Daarmee komt voor toneelgroep De Appel een eind aan het inmiddels 25-jarige tijdperk-Vos - het moet voor het gezelschap een kleine aardschok betekenen. Drie jaar had Vos zichzelf gegeven toen hij in 1971 samen met Peter van der Linden, Carol Linssen, Christine Ewert en Do van Stek De Appel oprichtte; hij bleef er een kwart eeuw en bestierde de groep zoals een vader zijn gezin. Het waren 'heel erg zware jaren' maar hij heeft, vindt hij, bereikt wat hij wilde. De tijd is nu dan ook rijp het gezelschap 'los te laten'. Met Sofokles' tweeluik Koning Oidipous en Oidipous in Kolonos neemt Vos afscheid in Scheveningen.

De Appel verliest in hem een charismatische regisseur, zo valt van verschillende kanten te horen. Medewerkers en collega's roemen hem om zijn passie, energie en muzikaliteit. Tegelijkertijd typeert men hem als een moeilijke, veeleisende theaterman met uitgesproken ideeën die in de loop der jaren nauwelijks zijn veranderd. Iemand ook die niet gauw tot een compromis geneigd is.

Actrice Sacha Bulthuis, die als 14-jarige al voor Vos een monoloog uit Tsjechovs Oom Wanja speelde maar pas jaren later bij De Appel belandde en daar altijd is gebleven, noemt het een voordeel dat de meeste Appelacteurs al lang bij de groep werken: “Omdat je elkaar kent ben je niet bang op je bek te gaan en je weet wat Erik van je vraagt. Soms is het moelijk, wat hij verlangt. Je kunt er dan over praten, maar hij bepaalt toch het eindresultaat.

“Als we aan een nieuwe voorstelling beginnen neemt Erik al op de eerste repetitiedag het hele stuk door: hij wil dat we angst, vreugde en verdriet laten zien. Hij zet je op vier sporen tegelijk en gooit dan opeens alles om. Daar word je weleens lacherig van. Het is ook vermoeiend want hij neemt pas in de laatste weken een beslissing. Maar als hij een droom in zijn hoofd heeft kun je ervan op aan dat het boeiend is om naar te kijken.”

Ook Peter van der Linden, die al vóór De Appel met Vos samenwerkte en tot zo'n tien jaar geleden aan de groep verbonden was, merkt op dat Vos “tot grote wanhoop” van de spelers een lange voorbereidingstijd nodig heeft. “Hij was er een meester in mensen de grond onder de voeten weg te halen en je telkens opnieuw te laten beginnen. Hij wilde vaak teveel de touwtjes in handen hebben. Er waren weleens botsingen, ja. Toch hebben we twintig jaar vruchtbaar samengewerkt.”

Acrobaat

Erik Vos had van jongs af een sterke behoefte zich te onderscheiden. Tegen de interviewster Bibeb zei hij in 1991 dat hij als kind dacht niks te kunnen en tegelijk een drang had tot opvallen met iets waarin hij uitblonk. Pianospelen kon hij goed. Daarnaast droomde hij ervan als acrobaat in een circus op te treden.

Vos, geboren in 1929 in Hellendoorn, ging na een voortijdig gestaakte medicijnenstudie twee jaar in de leer bij de Parijse mimekunstenaar Etienne Decroux. Na terugkeer in Holland werd hij begin jaren vijftig de eerste en enige leerling van de nieuwe regie-afdeling van de Amsterdamse Toneelschool. Na zijn examen leidde hij achtereenvolgens kindertheater Arena in Den Haag, De Nieuwe Komedie in Amsterdam en de Nederlandse Comedie.

Uit onvrede met het toenmalige theaterklimaat begon hij met een kleine aanloopsubsidie van CRM in 1971 De Appel. Het was een eigenzinnig en experimenteel clubje dat met een combinatie van muziek, dierlijke lijflijkheid, dans en de elementen aarde, water en vuur een vorm van totaaltheater nastreefde. Men verkoos daarvoor niet het officiële lijsttheater maar een eigen ruimte, het Scheveningse Theater aan de Haven.

In het seizoen '76/'77 betrad de groep de even verderop gelegen, al dertig jaar leegstaande remise van de paardentram. Het was in de woorden van Sacha Bulthuis 'een charmante puinbak' waar men de eerste tijd 'in dekens in de regen' moest spelen, en die later door de medewerkers grondig verbouwd werd tot het huidige, door henzelf zo gekoesterde Appeltheater.

Actrice Geert de Jong, die na de toneelschool in Antwerpen zeven jaar bij Vos werkte, herinnert zich goed wat haar in 1972 aantrok in De Appel: “Het was levendig, bruisend, bezig. Heel anders dan het toneel in Vlaanderen, vreselijk vond ik dat. Daar werd voornamelijk, wat wij noemen, 'proper' theater gemaakt door gevestigde gezelschappen. Peer Gynt van Ibsen, de eerste Appelvoorstelling die ik zag, was niet-cerebraal, niet-keurig. Erik zei niet gauw dat iets niet kon. Hij liet je ver gaan en stuwde je naar gekke dingen. Mijn eerste grote rol was Ariël in De Storm van Shakespeare. Ik genoot ervan omdat die rol zo in tegenstrijd met mijn karakter was. Hoe moest zo'n aardse actrice als ik een luchtgeest verbeelden?”

Volgens acteur Peter van der Linden was het na-oorlogse toneel in Nederland al even keurig en voorspelbaar. “Carol Linssen, een oud-toneelschoolleerling van Erik, en ik hadden begin jaren zeventig een contract bij Theater. We gingen daar weg omdat we zelf dingen wilden vormgeven en creëren. Erik bleek daar ook voor te voelen.

“Erik en ik werkten wel op een andere manier. Ik ging uit van improvisaties ten behoeve van de voorstelling, Erik liet ons improviseren om ons een beter inzicht in onze rol te laten krijgen. Ik weet nog dat we in '79 tijdens de repetities van Op de Bodem van Gorki moesten vertellen over de keer dat we op de bodem van ons eigen bestaan zaten. Dat waren ongelofelijke verhalen maar die zijn niet gebruikt. 'Wat zonde dat al die prachtige verhalen nu verloren gaan', zei ik, maar hij dacht daar anders over. Later kwamen er acteurs bij de familie die al dat improviseren maar half accepteerden. Die wilden graag stukken spelen, ze voelden er weinig voor dingen uit zichzelf op te diepen.”

Vechten

Tegenwoordig treedt Peter van der Linden nog uitsluitend op als verhalenverteller in zijn eigen theater in Den Haag, Theatertje Thuis. Naar De Appel gaat hij niet meer sinds hij daar op de vutgerechtigde leeftijd de deur achter zich dichttrok. “Ik wil niet oprakelen wat er in het verleden is gebeurd maar dat vertrek was voor mij zo traumatisch dat ik een tijd lang het water in de handen kreeg als ik alleen al aan De Appel dacht. Ik werk het liefst bij een theater dat moet vechten voor het bestaan, als het een gevestigde groep wordt ga ik weg. Ik zeg niets ten nadele van De Appel, maar het is niet meer voor mij.”

Zijn voormalige collega Carol Linssen daarentegen raakt, schrijvend over De Appel en 'Heer Vos', na 25 jaar nog steeds in vervoering. In een brief portretteert hij hem in barokke volzinnen als 'een waanzinnige tovenaar die met uiterste inspanning probeert goud te maken'. De acteurs, aldus Linssen, gingen indertijd met Vos naar Den Haag 'zoals ratten achter de fluitspeler aangaan'.

Toch neemt hij in een op de achterzijde van een velletje genoteerde 'kanttekening' ook enige afstand: 'Er wordt weleens beweerd dat Appelacteurs van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat met de overschoenen van Heer Vos in de handen staan. Hierbij verklap ik u dat alle acteurs ook nog een eigen geheim leven er op na houden. En van dat geheime leven weet niemand ene jota. Dat geheime leven is de rommelzolder, de grafkelder van hun talent. Verborgen voor iedere dief en nieuwsgierige ekster.'

Het soort theater waarop Vos en de zijnen zich van meet af aan toelegden was in Nederland aanvankelijk ongekend. Klassieke teksten (veel Grieken en Shakespeare) met een moderne inhoud die erop gericht waren het publiek actief bij de voorstelling te betrekken, te schokken en uit te lokken 'via regelrechte, directe emoties van een acteur', aldus Vos, tien jaar geleden in een interview in NRC Handelsblad.

Men experimenteerde met de ruimte en liet het publiek, op tribunes rond de speelvloer, kijken naar personages die, schrijft Linssen, 'innerlijk ontregeld waren. In wanorde verkeerden, bedreigd werden door hun tegenstanders. (-) De wereld die Vos op het toneel toonde was bedreigend, gevaarlijk, onbetrouwbaar en grillig.'

Vijftienkoppig koor

Eerder al, in 1963, had Erik Vos bij De Nieuwe Komedie deze manier van werken onderzocht met De Perzen van Aischylos, een voorstelling waarin het vijftienkoppig koor de hoofdrol had. Pers en publiek wisten niet wat hun overkwam, wat ongetwijfeld bijdroeg aan de welhaast mythische klank die de productie sindsdien heeft. Zo ook voor Theu Boermans, artistiek leider van De Trust in Amsterdam, die indertijd te jong was voor De Perzen, maar is 'opgegroeid met de legende ervan'.

“Het is toneelhistorisch een belangrijke voorstelling geweest. Op het moment dat de tijd grimmiger werd, in de jaren zeventig, bleef Vos op zoek naar de mens als speelbal van de goden. Ik ben meer geïnteresseerd in het lijden dat de mens zichzelf aandoet. Hij werkt met mythes, niet met psychologie.

“Inhoudelijk en artistiek voel ik me niet erg verwant met hem, maar ik heb bewondering voor wat hij voor elkaar heeft gekregen. Vos ging zijn eigen weg en dat was niet de makkelijkste, temidden van het gewoel van de repertoiregezelschappen die zich bezighielden met de grote zaal, lijsttoneel en retorica. Hij haalde het theater uit de schouwburg en plaatste het in een andere ruimte, met andere zichtlijnen. Je kunt zeggen dat hij de ontdekker van het vlakke vloer-theater is - dat vind ik van groot belang voor het Nederlandse theater. Kijk maar naar De Trust en Toneelgroep Amsterdam die ook een eigen ruimte willen.”

De Appel trok al snel een trouwe schare bezoekers en dankzij handige marketing verzamelde men zo'n 6000 draagkrachtige 'vrienden' die het gezelschap financieel ondersteunen. Bovendien wist de groep zich te nestelen in kringen van Haagse notabelen en politici. Zo laat oud-burgemeester Havermans van Den Haag, in een schriftelijke reactie, weten dat hij en zijn vrouw tijdens zijn elf-jarig burgemeesterschap geen stuk van De Appel hebben gemist. Een andere 'echte Appel-fan, die geen voorstelling overslaat' is minister Dijkstal van Binnenlandse Zaken. “Erik is van grote betekenis voor het Nederlandse toneel omdat hij zeer creatief en eigenzinnig is. Wat hem tekent is dat hij altijd, ook al was dat tegen alle stromen in, de ambachtelijkheid van het toneelspelen een belangrijke plaats heeft laten houden in zijn regies.”

Ook Theu Boermans stelt vast dat Vos voorstellingen maakte 'tegen de geest van de tijd in'. De Appel lag geregeld onder vuur. De Raad voor de Kunst, die zich de eerste jaren lovend uitsprak over De Appel, heeft sinds 1980 herhaaldelijk voorgesteld de subsidie flink te korten wegens te weinig vernieuwing. Niettemin is oud-burgemeester Havermans ervan 'overtuigd' dat 'er grote waardering en bewondering bestaat, ook bij Rijk en gemeentebesturen voor wat Erik Vos ons in de afgelopen jaren heeft gegeven'. Kritiek kwam in de jaren zeventig ook uit de hoek van het vormingstoneel, dat het gezelschap gebrek aan politieke stellingname verweet. Weer andere Appel-critici hadden moeite met de Appeliaanse theatraliteit, met voorstellingen die te publieksgericht zouden zijn of vastgelopen in de vorm.

Lodewijk de Boer, die diverse producties in Den Haag regisseerde en op verzoek van Vos verschillende stukken voor De Appel schreef, vindt dat de kritiek op de groep meer zegt over het toneel dan over Erik Vos: “Het karakter van toneel is vluchtig. Het is een licht modieuze kunst die gauw de eigen geschiedenis vergeet. Men is voortdurend op zoek naar nieuwe vormen, een nieuwe aanpak, waardoor klassieke ensceneringen al snel als afgedaan worden beschouwd. Erik is trouw aan zichzelf gebleven. Hij heeft zich nooit iets aan de mode gelegen laten liggen.

“Hij is een uitstekende pedagoog, die goed aanvoelt waar de mogelijkheden van de acteurs liggen, en een gepassioneerde theaterman. Ik ben dat minder, omdat mijn aandacht verdeeld is over theater, muziek en schrijven. We hebben wrijving gehad over Doctor Nero, een muziektheaterstuk van Louis Andriessen en mij, dat ik bij De Appel regisseerde. Erik vond het weird, toch blokkeerde hij niets. Als er een conflict is kan hij fel zijn, maar ook creatief. Hij is altijd bereid tot een gesprek.

“Erik is de meester van het grote gebaar. Hij is de meest persoonlijke regisseur die ik ken, vooral zijn klassieke ensceneringen hebben een extreem persoonlijke signatuur. Ze hebben romantische passie, retoriek en beweeglijkheid. Ze zijn zoals hij is. De moderne stukken die hij regisseerde zijn intelligent, maar te helder. In De Thuiskomst van Pinter waren de mysteries opgeklaard en dat hoort niet bij Pinter.”

Actrice Geert de Jong rekent 'psychologisch priegelwerk' niet tot Vos' sterkste kant. “Zijn Drie Zusters vond ik niet zo geslaagd. Erik is meer een dirigent van grote symfonieën. Hij kan heel veel lijnen op een harmonische manier samenbrengen.”

De Appel, zegt Geert de Jong, is Erik Vos. Het onlangs uitgebrachte advies van de Raad voor Cultuur om De Appel na het vertrek van Vos op te heffen vindt ze voorbarig: zijn opvolgers Aus Greidanus en Aram Adriaanse moeten de kans krijgen een eigen richting in te slaan. Evenals anderen kan ze zich niet voorstellen dat Vos nu definitief stopt met toneel, daar is hij de man niet naar.

Vos zelf zegt desgevraagd dat er 'een last' van hem afvalt nu hij niet meer hoeft. “Ik ben altijd bang geweest dat het me een keer niet zou lukken. Vaak dacht ik: wat doe je jezelf aan, maar de acteurs slepen je erdoor. Het lijkt me, ook voor mijn opvolgers, goed als ik een poosje afstand neem.” Gastregies wil hij wel doen. In Amerika, waar hij al meer heeft gewerkt, en ook in Berlijn waar zijn laatste regie in 1994, Goldoni's Trilogie van het zomerverblijf een flop werd. En verder wil hij zijn oude liefde weer oppakken: muziek. Vorig jaar regisseerde hij in Carré de opera Dido en Aeneas. Zijn grote wens is nu de enscenering van een Mozartopera.

    • Noor Hellmann